Recensie De stille kracht – Toneelgroep Amsterdam (lange versie)

foto: Jan Versweyveld

Ergens halverwege de voorstelling ‘De stille kracht’ van Toneelgroep Amsterdam barst de Nederlandse ambtenaarsvrouw Eva (Maria Kraakman) in snikken uit. Ze verdraagt Indië niet langer: de kakkerlakken slopen de piano, er zitten vochtvlekken in haar zijden jurk en haar mooiste blouse valt in de tropen uit elkaar. Waarom, zucht ze, slepen we toch al die beschaving naar deze kant van de wereld, als hij hier toch uit elkaar valt?

Het is de rode draad in de roman van Louis Couperus, waarop het Amsterdamse gezelschap zijn voorstelling baseerde en ook die van de voorstelling: hoe innig Nederland en Indië ook met elkaar verstrengeld zijn, uiteindelijk zijn oost en west verschillende werelden die elkaar slecht verdragen.

Het is een knap gespeelde scène, waarin Eva in eerste instantie met haar kapotte bloesje vooral overkomt als een aanstelster. Maar onder Eva’s woorden maakt Kraakman iets veel diepers voelbaar: een groeiende afkeer van dit landsdeel waar alles zo onbegrijpelijk anders is dan thuis.

Op een vrijwel lege vloer van tropenhout legt regisseur Ivo van Hove in ‘De stille kracht’ met de Haagse schrijver in de hand een aantal interessante thematische lagen over elkaar die samenhangen met die botsende werelden. Spil tussen die verschillende lagen is de resident Otto van Oudijck die zich een groot deel van de voorstelling bezig houdt met schrijven, met zijn neus dicht op de papieren, zodat hij alles wat er om hem heen gebeurt gemakkelijk uit het oog verliest. Maar dat schrijven doet hij dan wel op zijn Indisch: op zijn knieën op een matje, in plaats van op een stoel.

Van Oudijck houdt van Indië en ziet zichzelf als vader voor de bevolking van zijn stadje. Ondertussen gaat hij in zijn Hollandse nuchterheid wel erg makkelijk voorbij aan de lokale gebruiken en gevoeligheden. Als hij uit bestuurlijke overwegingen zijn Indonesische regent ontslaat, begint het stenen te regenen richting het huis van de resident en beginnen er geesten in de bomen te huilen. Dat zouden bovennatuurlijke verschijnselen kunnen zijn, maar net zo goed pesterijen van de plaatselijke bevolking.

Gericht als hij is op het ambtelijke en materiële, blijft de stille kracht van de Indische onvrede onbegrijpelijk voor Van Oudijck. Dat hij door het ontslag schande brengt over een Indische familie, dat het voor zijn personeel uitmaakt of een waterput gezegend wordt: hij ziet daar de diepere betekenis niet van in en dus ook niet van de wrevel die zijn nuchtere handelen oproept bij de Indonesiërs.

In de regie van Van Hove is die bevolking constant aanwezig als de bediendes die geruisloos langs de wanden glijden om geroutineerd de volgende borrel of het volgende diner neer te zetten. Ze zijn er wel en ze zijn er tegelijk ook niet. In ieder geval bevinden ze zich letterlijk in de marge van het gezichtsveld van de Nederlanders die zeggen het beste met hen voor te hebben.

De moeizame relatie met de Indonesische bevolking keert ook in verschillende gedaanten terug in ‘De stille kracht’. De relatief nieuw aangekomen Eva vindt de plaatselijke bevolking vooral eng, omdat ze ze niet begrijpt. Van Oudijck heeft een meer complexe houding tot de bevolking. Hij heeft respect voor de mensen, maar behandelt ze ook als kinderen die zijn vaderlijke leiding nodig hebben. Wat hij doet, zegt hij, doet hij voor ‘de kinderen van Laboewangi’ , alsof die kinderen zelf geen ouders hebben.

Ondertussen heeft hij grote moeite met de relatie die zijn jonge dochter Doddy aanknoopt met Addie, een halfbloed. Van Oudijck houdt van Indië, maar zijn kinderen mogen niet teveel ver-Indischen. Dat plaatst de halfbloed-Indonesiërs – naast Addie ook Van Oudijcks buitenechtelijke zoon -, in een complexe positie want zij horen nergens bij. Niet bij de Nederlanders en ook niet bij de Indonesiërs. Maar ook Eva vraagt zich af of ze niet teveel ver-Indischt zal zijn als ze straks terug is in Nederland. Alsof het een besmettelijke ziekte is, die haar in Den Haag sociaal zal buitensluiten. De behoorlijk bloedstollende, gezamenlijke samenzang van ‘Wien Neerlandsch bloed door d’adren vloeit, van vreemde smetten vrij’ is in die zin bijna een bezwering. Als een kleine daad van verzet mompelen een aantal Indonesische personeelsleden de tekst mee, wellicht zouden zij hun bloed en land ook van vreemde smetten vrij zien.

Toneelgroep Amsterdam gaat niet lichtvaardig om met die glibberige interculturele materie en voegde voor de gelegenheid ook een aantal acteurs met een Indonesische achtergrond toe aan het ensemble. Vanuit dat perspectief gezien is de manier waarop Marieke Heebink haar rol invult dan ook een behoorlijk merkwaardige. Zij speelt de moeder van de Indonesische regent die Van Oudijck komt smeken om haar zoon zijn baan terug te geven. Zij doet dat niet alleen behoorlijk hysterisch, maar vooral ook met een storend karikaturaal accent met een dikke Indische ‘r’. Waar de acteurs van Indonesische afkomst vloeiend en accentloos Nederlands spreken, is de Indonesische vrouw die Heebink speelt ineens een storende karikatuur van een Indische vrouw.

Niet alleen de relaties met de Indonesiërs schuren, langzaam draaien de personages ook hun eigen leven de vernieling in. De verveling, het bij elkaar op de lip zitten, het zorgt voor een groot aantal mislukte liefdes en buitenechtelijke relaties. Halina Reijn speelt Van Oudijcks vrouw Leonie als een steeds meewarig-brutaal glimlachend kindvrouwtje, dat zich van de ene affaire in de andere stort om het stierlijk vervelende leven van ambtenaarsvrouw te ontlopen.

Zo spelen er verschillende stille krachten door de voorstelling: de kracht van het wrok van de Indonesiërs, de sociale kracht die aan de onderlinge persoonlijke relaties vreet, de bovennatuurlijke krachten die door de Nederlanders als afgoderij afdoen, maar wel degelijk hun levens beïnvloedt.

Je zou het Indonesische respect voor bovennatuurlijke krachten ook kunnen zien als respect voor de stille kracht van de overweldigende Indonesische natuur, waartegen de Nederlanders en hun verfijnde spulletjes niet bestand zijn. De overweldigende natuurkrachten (de regen, de hitte, de uitgestrekte jungle) boezemen de Nederlanders vooral angst in, omdat ze er geen vat op kunnen krijgen. Die natuur wordt verbeeld door een indrukwekkende toneelmachinerie die de personages kan teisteren met stortbuien, tropische misten en onweerstormen. Daarmee is natuur altijd fysiek aanwezig, ook al doen de personages net alsof ze niet tot hun onderbroek doorweekt zijn.

Die overdaad aan stortend water door de voorstelling heen, maakt het slotbeeld van de voorstelling veelbetekenend. Aan het eind van de voorstelling beseft Van Oudijck dat de stille Indische krachten hem verslagen hebben. Hij stopt als resident en trekt zich terug op het platteland. Als Eva hem daar nog een keer opzoekt, is hij druk bezig water te verzamelen. De regenmachine laat een klein straaltje lopen, dat Gijs Scholten opvangt met een grote hoeveelheid emmertjes. Niet langer beukt Van Oudijck tegen de kracht van het water in. Hij heeft beseft dat het beter is de natuur in zijn natuurlijke loop te volgen.

Het beeld van de verslagen Oudijck, die ondanks alles niet terugkeert naar Nederland is eveneens veelzeggend. Van Oudijck is ondanks alles van ‘zijn’ Indië gaan houden. Precies in die onbeantwoorde liefde schuilt ook een deel van de ingewikkelde band van Nederland met Indië. Die band heeft Toneelgroep Amsterdam knap weten te vangen.

Er rammelt overigens van alles aan de voorstelling, zoals de rol van Heebink die, net als Halina Reijn, nogal eens doorschiet in hysterie. Ook de boekbewerking hapert. Heel soms treedt Hans Kesting (op band) op als verteller, maar meestal doet hij er het zwijgen toe en voegt in zijn vertellersrol niets wezenlijks toe, behalve om ons nogal knullig voorbij een plotwending te praten. Tot slot werkt de voorstelling naar een enorme climax toe met een spectaculaire zeebeving om vervolgens nog eens drie kwartier door te kabbelen. Die onuitgebalanceerde dynamiek maakt de kijkervaring soms behoorlijk vermoeiend.

En ondanks dat is ‘De stille kracht’ een belangrijke voorstelling. Het is sowieso een zeldzaamheid dat het schurende Nederlandse koloniale verleden een onderwerp is in de grote Nederlandse theaterzalen. In ‘De stille kracht’ wordt die thematiek, ondanks de theatrale slordigheden, inhoudelijk bijzonder goed en zorgvuldig uitgewerkt.

Foto: Jan Versweyveld

1 Comment

Add Yours
  1. 1
    A.D.

    Worden hier nou weer Indonesiërs gelijk gesteld met de gemengd bloedigen? Weer de zoveelste dolksteek voor alle Indische Nederlanders die gedwongen uit het onafhankelijke Indonesië gedwongen moesten vertrekken. Ik verwachtte toch meer inzicht van een dramaturg. Over slordigheden gesproken.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *