Het capitulerende theater

Langzaam maar zeker wordt hij een van hen, van degenen die hij ooit als radicaal kunstenaar kritisch dacht te moeten volgen. De capitulatie verloopt zo sluipend dat Hendrik Höfgen helemaal niet doorheeft dat hij collaboreert met de vijand. Dat hij, kortom, zijn ziel aan de duivel heeft verkocht. Maar hij is inmiddels wel de populairste acteur van Hitler-Duitsland.

Hendrik Höfgen is de hoofdpersoon van het boek Mephisto van Klaus Mann, dat Toneelgroep Maastricht afgelopen september uitbracht in een bewerking van Erik-Ward Geerlings. Mann baseerde het personage van Höfgen op acteur Gustaf Gründgens, de favoriete acteur van Joseph Goebbels en een van de populairste Duitse acteurs van de twintigste eeuw.
In de regie van Arie de Mol is Mephisto een voorstelling geworden waaraan je voelt dat hij gemaakt moest worden. De noodzaak spat van het podium, druipt van de zinnen, kruipt onder de huid. Natuurlijk gaat het De Mol in zijn voorstelling om het hedendaagse politieke klimaat, waarin wel degelijk parallellen te herkennen zijn met het Duitsland van de jaren dertig, maar dat is slechts een onderdeel van de voorstelling. Wat haar vooral onontkoombaar maakt, is de manier waarop ze de worsteling lijkt te tonen van regisseur De Mol met zijn kunstenaarschap in een tijd waarin het neoliberalisme het denken over kunst heeft overgenomen en waarin kunst geen maatschappelijke meerwaarde meer lijkt te bezitten voor publiek en politiek. Een worsteling ook met de vraag of en hoe je als theatermaker nog kritisch kunt zijn op de politieke ontwikkelingen als je ook aan je publiekscijfers moet denken en diezelfde politiek bovendien je salaris betaalt. Uiteindelijk wordt Höfgen zelf een van degenen die hij haat , omdat hij lijfsbehoud, financiële zekerheid maar zeker ook populariteit bij het publiek gaandeweg laat prevaleren boven zijn idealen. De voorstelling roept een onontwarbare kluwen van dilemma’s op over de functie van kunst en de relatie tussen kunstenaar, politiek en publiek. Dilemma’s die nu binnen de theatersector meer dan ooit spelen en die ik voorzichtig wil proberen in kaart te brengen.

Maatschappelijk belang

Om die kluwen te ontrafelen moet je ergens een begin van draadje proberen te vinden. Het essay van Tom Blokdijk in TM van vorige maand is zo’n draadje. Blokdijk houdt in zijn essay een vlammend betoog over de waarde van kunst. ‘Maar kunst die echt iets doet met het beeld dat je hebt door het óf te versterken, te verdiepen of te verbreden óf te wijzigen en zelfs te vervangen, die kunst kan wel belangrijk zijn, onmisbaar zelfs en dus van maatschappelijk belang en dus, zo nodig, in aanmerking komen voor overheidssteun. (…) Kunst behoedt mensen voor verstarring. Kunst behoedt de maatschappij voor stagnatie,’ schrijft hij.

Wie in de theaterwereld werkt, kan het bijna niet met Blokdijk oneens zijn. Je kunt bovendien geen beleidsplan openslaan of in een ronkende inleiding staat iets over het maatschappelijk belang van kunst. Dat kennen we de kunst ook echt toe. Maar er kleven nogal wat problemen aan de redenering dat kunst een maatschappelijke functie heeft – ‘omdat ze mensen aan het denken zet’ – en ze dus overheidssteun verdient. Dat ‘dus’ is immers niet universeel geldend gebleken. Dat ‘dus’ geldt alleen binnen een progressief paradigma, waarin je het een democratische waarde vindt dat bij mensen aan hun zekerheden wordt getornd.
Politiek socioloog Dick Pels schrijft in zijn boek Het volk bestaat niet: leiderschap en populisme in de mediademocratie, in navolging van de Duitse filosoof Helmut Dubiel, dat democratie zich voor progressieven kenmerkt als ‘de geïnstitutionaliseerde vorm om in het openbaar om te gaan met onzekerheid’. In zo’n visie op democratie heeft kunst absoluut de functie die Blokdijk haar toedicht en kan het wel degelijk als een overheidstaak worden gezien om de democratische twijfel via kunst aan te wakkeren.
Als Blokdijk de kunstenaars oproept nog meer politiek theater te maken, schuilt daarin de idee dat de kunst de politiek weer aan haar universeel-progressieve karakter kan herinneren. Dat ze uit een neoliberale winterslaap kan worden gewekt. Maar de nieuwe politiek is niet haar progressieve karakter vergeten, ze speelt het spel op een totaal ander ideologisch speelveld. Een veld dat voor de progressieve kunstenaar onbekend gebied is.

Groot Gelijk

Vanuit een neoliberaal, anti-elitair, conservatief of populistisch paradigma gedacht, heeft kunst die kritische, opschuddende functie helemaal niet. Vanuit die visies moet kunst geld opleveren, niet zo moeilijk doen, oude waarden bevestigen of het publiek geven waar het om vraagt. Het is niet voor niets dat populisten en neoliberalen meer ophebben met schilderijen die voorstellen wat ze moeten voorstellen of met dode kunstenaars en erfgoed dan met maatschappijkritische kunst. Voor de neoliberalen is de samenleving wel zo’n beetje af en dient men vooral de logica van de markt te volgen. Twijfel heeft daarin geen functie. Voor populisten is twijfelen iets voor zwakkelingen en theedrinkers, en dat je zoiets zou institutionaliseren is een krankzinnige gedachte. Zij wentelen zich in een Groot Gelijk, dat geen kritisch onderzoek nodig heeft.

Zij die over de financiering van kunst moeten beslissen beschouwen de kunst vanuit een ander paradigma dan degenen die kunst maken. Maar doordat die laatste groep in de naïeve waan verkeert dat we het spel nog op hetzelfde ideologische speelveld spelen, laat zij zich, net als Hendrik Höfgens in Mephisto, door de overheid sluipenderwijs inkapselen in een nieuwe ideologie. En hoewel de politiek graag beweert dat ze zich niet wil bemoeien met de inhoud van de kunst, doet ze dat feitelijk altijd door de voorwaarden te scheppen waaronder die kunst wordt gemaakt; die hangen immers samen met de visie op de functie van kunst. Als je meent dat kunst mensen moet verheffen, zoals de sociaal-democratische staatssecretaris van Cultuur en Media Rick van der Ploeg (1998-2002), dan dwing je instellingen meer aandacht te hebben voor educatie en voor nieuwe publieksgroepen. Als je vindt dat kunst een marktproduct is dat niet deugt als het slecht wordt verkocht, dan dwing je kunstinstellingen meer eigen inkomsten te vergaren en ze los te maken van overheidssteun. Dat heeft gevolgen voor de inhoud van de voorstellingen. Wil je geld om kunst te maken, dan zul je immers aan de opgelegde voorwaarden moeten voldoen. Ook in de kunsten geldt: wie betaalt, bepaalt. Met als gevaar de uiterste consequentie dat kunstinstellingen uiteindelijk het woord gaan spreken van wiens brood ze eten. Die uiterste consequentie bereik je niet in een keer, maar juist sluipenderwijs.

Warme koffie

Een en ander wordt nog versterkt door de problematische verhouding die de kunstenaar onderhoudt met zijn publiek. Niet alleen bestaat er een spraakverwarring tussen politiek en kunst (omdat men vanuit verschillende paradigma’s spreekt), iets soortgelijks doet zich voor tussen kunstenaar en publiek. Blokdijk roept zoals gezegd kunstenaars op om nog meer politiek theater te maken. Maar voor wie doen ze dat? Voor het publiek of voor zichzelf? Kunstenaars vinden dat kunst een maatschappijkritische en reflectieve functie moet hebben, maar dat ziet een groot deel van het publiek toch echt anders. Theaterbezoekers zien – zo blijkt uit elk onderzoek – theater vooral als een avondje uit, waarbij het belangrijker is of de koffie warm is dan waar de voorstelling over gaat. Ook die worsteling laten Arie de Mol en Erik-Ward Geerlings mooi zien in Mephisto, als de schouwburgdirecteur in de suffe provinciestad Hamburg (lees: Maastricht) verzucht tegen de jonge honden die radicaal theater willen maken: ‘Daar is hier geen publiek voor. Een paar jaar geleden stond het publiek nog in de rij voor moderne voordrachtskunst, maar op dit moment is het alleen nog maar te porren voor amusement. Bij repertoire dat iets meer inspanning vraagt blijft de zaal half leeg.’

Niet dat er iets mis is met meer publiek in het theater, maar deze verstoorde relatie tussen publiek en kunst lijkt een extra zetje om het neoliberale denken over kunst sluipenderwijs over te nemen. Zeker bij de grote instellingen, en helemaal als er grote bezuinigingen dreigen.
En dus bepaalt een nieuw paradigma steeds meer de inhoud van de voorstellingen. De overheid beslist immers over de voortzetting van je salaris na 2013, waarop je alleen nog mag rekenen als je wat van je idealen aan de kant schuift en een beetje neoliberaal meedenkt over doelgroepen, klantbereik en productdiversificatie. ‘Maar ja, de hypotheek moet ook betaald en de kinderen naar de opvang. Dat is duur, het is crisis en ach, we mogen blij zijn dat er nog een beetje geld is voor het theater.’
In ons allemaal schuilt een Hendrik Höfgen. En dus schuiven de grote instellingen in de BIS in hun beleidsplannen weer een beetje verder op naar het grote publiek, met spectaculaire voorstellingen met cabaretiers, filmbewerkingen en boekenclubboeken op het toneel, omdat daarop een flinke doelgroep afkomt. Het maatschappelijk ideaal verdwijnt langzaam uit zicht, al ronkt het nog wel op de eerste pagina van elk beleidsplan. Anarchisme doen de grote gezelschappen er, met het oog op de productdiversificatie, een beetje naast als er nog wat geld overschiet. Of in een kleiner zaaltje.

Pijnlijk

Een neoliberale tijdgeest en een op vermaak gericht publiek zet de progressieve kunstenaar schaakmat. Hoe anarchistisch, kritisch, reflectief en radicaal kun je immers nog zijn, als je dat allemaal in een ambtelijk beleidsplan van vijfduizend woorden moet kunnen vastleggen? Aan welke zekerheden van het publiek wil je rammelen, als dat publiek helemaal niet gerammeld wil worden? Hoe serieus is je kritiek op een politiek systeem nog te nemen als dat systeem je betaalt om mee te buigen binnen het neoliberale kunstdenken? Hoe voorkom je te worden geïnstitutionaliseerd door degenen met wie je het feitelijk oneens bent?

Het is ook gewoon makkelijker om mee te buigen. Ook de jonge actrice Nicoletta, de felste van alle jonge, radicale theaterhonden in Mephisto, geeft uiteindelijk de strijd tegen het systeem op: ‘Maar als je ontdekt dat die gedrevenheid ongewenst is en elke impuls je alleen nog aan je eigen onmacht herinnert, moet je jezelf dan blijven kwellen? Het is onnodig en pijnlijk en je gaat jezelf haten. Ik was in Parijs en heb die oude idealen daar laten liggen als een paar versleten handschoenen. Misschien dat iemand anders er nog iets mee kan?’

Er is wel een uitweg. Maar er zijn er maar weinigen – en al helemaal niet binnen de BIS – die de consequentie van het vrije, onafhankelijke en maatschappelijk geëngageerde kunstenaarschap tot het uiterste doortrekken. De meesten capituleren onderweg. De ultieme consequentie van een volledige onderschrijving van Blokdijks woorden is je helemaal los te maken van degenen die je bekritiseert. Dat je geen inmenging meer wenst, op wat voor manier dan ook, in je kunstenaarschap. Dat je kortom stopt met het aanvragen van subsidie en je eigen, vrije gang gaat.

Wie durft er naar die consequentie te handelen? Want de kunstenaars en ook de grote instellingen kennen dit dilemma al lang. Ze worstelen al een tijd met hun eigen innerlijke Hendrik Höfgen. Arie de Mol was zo dapper die strijd te ensceneren en daarbij zichzelf niet te sparen. Maar de betekenis van de paradigmaverschillen tussen makers, politiek en publiek vergen meer debat over de inhoud van voorstellingen dan alleen deze Mephisto, willen we niet als een Hendrik Höfgen sluipenderwijs ergens aan meedoen waar we niet achter staan. Dat we straks rondkijken en ons in een ideologisch veld blijken te bevinden waar we helemaal niet hadden willen zijn, maar waar we ons sluipenderwijs hebben laten binnenvoeren omdat andere dingen eventjes belangrijker waren dan onze idealen. Het is een gesprek dat nog te weinig wordt gevoerd.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.