Interview Vivienne Ypma (Kleine Komedie) – “We zullen een pas op de plaats moeten maken”

Half september is de verbouwing van De Kleine Komedie in Amsterdam nog in volle gang. De tocht van de ingang naar het kantoor van Vivienne Ypma is een kruip-door-sluip-dooravontuur langs steigers, schilders, gestripte foyers en kale trappenhuizen. Er moet nog veel werk worden verzet, want op 16 oktober is de heropening en wordt bovendien het 225ste verjaardagsfeest van het theater gevierd met een feestelijke voorstelling.

Preek

‘De verbouwing was echt nodig,’ vertelt directeur Ypma eenmaal in haar kantoor. ‘De verwarming was over zijn uiterste houdbaarheidsdatum heen en de elektriciteitsleidingen waren al heel oud. En als we dan toch bezig zijn, dacht ik, kunnen we net zo goed het hele voorhuis verbeteren. Er hingen op sommige muren nog bordjes van twintig, dertig jaar geleden en om naar de wc te gaan moest je door de wachtende massa aan de bar heen.’
En dus werd de hele logistiek aangepakt. De garderobe werd verplaatst, net als de ingang naar de toiletten, waardoor de kleine foyer wat ruimer lijkt. En alles kreeg een nieuwe lik verf. ‘We kunnen er nu weer even mee verder,’ stelt Ypma tevreden vast.

Omdat de verbouwing aan het begin van dit seizoen nog niet klaar was, nam Ypma tijdelijk haar intrek in kerk De Duif, op een steenworp afstand van het theater. Daar organiseerde ze onder andere de Preek voor eigen Parochie, een programma waarin cabaretiers, wetenschappers, politici en opiniemakers hun visie op de wereld mochten geven. ‘De basis van cabaret is toch dat iemand de wereld observeert, daar iets van vindt en dan de sterke behoefte voelt op een podium te springen en dat met ons te delen. Het is een heel pure reflectie op de maatschappij. De preek is de basis van waaruit kwalitatief hoogstaand en inhoudelijke kleinkunst zich heeft kunnen ontwikkelen. Als we dan toch ons 225-jarig bestaan vieren, leek het me aardig om te weten wat andere mensen, breder dan cabaretiers alleen, vandaag de dag van de wereld vinden. Met als resultaat dat iemand als Paul Schnabel van het Sociaal en Cultureel Planbureau meer grappen maakte dan normaal en Lebbis juist wat serieuzer was dan anders. Zo komen expert en cabaretier dichter bij elkaar. Ze doen eigenlijk hetzelfde.’

Makerstheater

Voor Ypma is kleinkunst, door zijn vermogen te observeren, te reflecteren en die reflectie op een persoonlijke manier met het publiek te delen, de kunstvorm die er op dit moment het meeste toe zou moeten doen. Ze vindt het jammer dat deze podiumkunstvorm in de theaterwereld nog steeds als minderwaardig wordt gezien, zelfs nu theatermakers als Laura van Dolron steeds een vorm opzoeken die je bijna als kleinkunst zou kunnen zien. ‘Kleinkunstvoorstellingen worden bijvoorbeeld niet gezien door de jury van het Nederlands Theaterfestival, waar de belangwekkendste voorstellingen van het seizoen staan. Ik kan zo een paar voorstellingen opnoemen die hier hebben gestaan die aan dat criterium voldoen, zoals die van Micha Wertheim. Toneelkunst en kleinkunst zijn wat mij betreft gelijkwaardig aan elkaar en zouden minder als gescheiden circuits moeten worden beoordeeld. Misschien is de term kleinkunst daar debet aan; die heeft toch iets benepens. We zouden er misschien een andere naam aan moeten geven, makerstheater misschien, omdat degene die het maakt ook degene is die het brengt.’

Juist omdat ze kleinkunst zo’n belangrijke theatervorm vindt, is het voor Ypma van belang dat haar aanbod voor iedereen bereikbaar blijft. Daarom maakt ze zich zorgen over de aankomende bezuinigingen, ook al worden de makers die in haar theater staan niet gesubsidieerd. ‘De bezuinigingen raken ons net zo goed als iedereen, al zullen wij van de landelijke bezuinigingen pas in tweede instantie iets merken. Mijn aanbod valt niet weg, maar je zult zien dat theaterprogrammeurs sneller zullen terugvallen op de vrije producenten die al zonder subsidie werken. Die kunnen straks op meer plekken terecht, voor langere periodes. Daardoor wordt de spoeling dunner en zal ik het aanbod minder voor het kiezen hebben dan nu.’
Bovendien, met de gemeentelijke subsidie die De Kleine Komedie krijgt, kan Ypma haar kaartjes betaalbaar houden en jong talent een kans geven. ‘Als dat geld wegvalt, dan kan ik heus nog wel Theo Maassen boeken, voor zijn voorstellingen krijg ik de zaal makkelijk vol. Ik zou er ook zo zestig euro voor kunnen vragen, maar dat weiger ik. Ik wil een breed publiek de kans geven hier te komen en niet dat een deel van Theo’s vaste publiek de toegangsprijs niet meer kan betalen. Moeilijker wordt het met jong talent waarvan ik het waard vind dat het wordt gezien, maar dat nog niet zo’n grote toestroom van vast publiek heeft.’
Door de prijs van haar kaarten bewust laag te houden, houdt Ypma De Kleine Komedie toegankelijk. Ook na de btw-verhoging. ‘Het merendeel van onze kaarten kost na die verhoging nog steeds minder dan twintig euro. Publiek dat andere theaters te duur is gaan vinden, kiest daardoor nu misschien eerder voor ons.’

Ondernemerschap

Met het wegvallen van de gemeentelijke subsidie zal De Kleine Komedie hoe dan ook moeten bezuinigen. Hoe, dat is een lastige vraag. Op slim personeelsbeleid heeft Ypma de afgelopen jaren al ingezet. ‘Niemand bij ons heeft een enkele functie. Ik ben directeur en programmeur, het hoofd financiën is ook verantwoordelijk voor de personeelszaken en is op sommige avonden bedrijfsleider. We zijn flexibel en kunnen makkelijk voor elkaar inspringen, maar we hebben dus geen surplus aan arbeidsuren meer. Als ik mensen moet ontslaan, betekent dat dat ik minder dagen kan programmeren.’
Ook is haar theater geen gulle uitdeler van vrijkaarten; die eigenschap van veel theaters past volgens Ypma niet in het plaatje ‘slim cultureel ondernemerschap’. ‘Wij geven per avond maar heel weinig vrijkaarten weg. Vier voor onszelf en vier voor het gezelschap. Natuurlijk moet je als gezelschap een kaart kunnen weggeven, maar je moet vrijkaarten niet inzetten als marketinginstrument, zoals ik soms zie gebeuren. Je moet je kaarten juist zo betaalbaar maken dat iedereen die een voorstelling wil zien daar ook naartoe kan. Ik heb liever tien mensen in de zaal die het volle pond betalen maar zo enthousiast zijn dat ze later al hun vrienden overreden ook te gaan, dan een volle zaal met mensen die er gratis zitten. Dat geeft een heel andere energie in de zaal.’

Gepokt en gemazeld in de commerciële hoek beseft Ypma maar al te goed dat je elke euro maar een keer kunt uitgeven. Hoewel ze het lastig vindt om er algemene uitspraken over te doen heeft ze de indruk dat de gesubsidieerde sector de aanwezigheid van geld te lang als een gegeven heeft beschouwd. Zo verbaast ze zich over theaters die dure onderzoeken laten doen naar hun publiek. ‘Je kunt toch zelf in je kassabestanden kijken waar je publiek vandaan komt? En je kunt gewoon in je zaal gaan kijken. Ik zie echt wel het verschil tussen mijn verschillende publieksgroepen. Sanne Wallis de Vries trekt een totaal ander publiek dan Roué Verveer. Ik hoef echt geen anderhalve ton uit te geven om daarachter te komen! Er is in de gesubsidieerde sector veel geld gespendeerd aan dingen die je ook met je gezonde verstand kunt bedenken. Geld dat van jezelf is, geef je toch bewuster uit. Daar denk je langer over na.’

Samenwerken

Om de nieuwe situatie het hoofd te bieden ziet Ypma veel meer in een nauwere samenwerking tussen gemeenten en podia en tussen podia onderling. Wat het eerste betreft heeft Ypma goed contact met de Amsterdamse cultuurwethouder Gehrels. ‘Zij heeft ons gevraagd met plannen te komen voor verdere samenwerking in de toekomst.’ Op het vlak van samenwerking met podia werkt Ypma nauw samen met podia die een overlappende programmering hebben, zoals Carré, Bellevue, DeLaMar en De Meervaart. ‘Wij wisselen vragen uit als: wat zijn de uitgangspunten voor je programmering en hoe profileer je jezelf? En hoe profileren we ons ten opzichte van elkaar? Het gaat dus om onderlinge afstemming. Solidariteit is inmiddels een besmet woord maar ik vind zulke samenwerking echt heel belangrijk. We zijn met zijn allen verantwoordelijk voor een zo breed mogelijk cultureel aanbod. Je moet elkaar iets gunnen en af en toe ook iets mogen krijgen. We moeten gezamenlijk proberen de goede woorden te vinden om uit te leggen dat het belangrijk is dat onze voorstellingen worden gezien.’

Of meer samenwerking genoeg is om het beleid van Zijlstra te overleven, is een tweede. ‘Dat is heel moeilijk te zeggen. De situatie die eraan zit te komen is niet om vrolijk van te worden. Maar in de maatschappij als geheel gebeuren op dit moment weinig vrolijke dingen. Mensen worden ontslagen, ze kunnen hun hypotheek niet meer betalen. Dat heeft ook zijn weerslag op de cultuur. Wij zijn een onderdeel van het maatschappelijk leven. De vorm van kunst die we hier laten zien, die pure reflectie op de maatschappij, zal altijd blijven bestaan. Maar over drie jaar zullen we er wel anders aan toe zijn dan nu. We zullen een pas op de plaats moeten maken. Misschien moeten we een stapje terugdoen. Maar dan nog hebben we het heel erg goed. Dat geldt voor de maatschappij als geheel, en voor de culturele sector in het bijzonder.’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.