Wat de VVD in 2007 van kunst vond

Dat de VVD de afgelopen tijd zijn liberale veren heeft afgeschud en nog meer naar rechts is opgeschoven, is geen nieuws. Een van terreinen waarop die omslag in het denken binnen de partij heeft plaatsgevonden is kunst en cultuur. Huidig cultuurwoordvoerder in de Tweede Kamer Mark Harbers maakte er tijdens het afgelopen Uitmarkt debat geen geheim van dat hij aan de populistische, marktverdedigende, anti-kunstkant van de partij zit. Toch staan zowel Harbers’ uitspraken in september en de cultuurparagraaf van het regeerakkoord haaks op uitspraken die toenmalig woordvoerder Atzo Nicolaï in 2007 deed in een interview met TM, waarin die zich als liberaal voorvechter van de kunsten opstelde. Misschien is het in deze tijden weer eens verhelderend om die uitspraken nog weer eens in openbaarheid te brengen. Hieronder daarom het interview met Atzo Nicolaï uit 2007.

Na als staatssecretaris en als minister vijf jaar in verschillende kabinetten Balkenende te hebben gezeten, is Atzo Nicolaï na de laatste verkiezingen weer Tweede Kamerlid van de VVD. Daar heeft hij een heel brede portefeuille die loopt van Sociale Zaken tot Cultuurbeleid. Dat laatste komt voort uit zijn hartstochtelijke liefde voor de kunst, die hem met de paplepel werd ingegoten. ‘Mijn ouders waren erg geïnteresseerd in alle soorten kunst. Er werd muziek gemaakt en gelezen. Ik ging van jongs af aan naar van alles toe. Dan reden we het halve land door om een jeugdvoorstelling te gaan zien. Dat heb ik altijd leuk gevonden. Toen ik in Amsterdam rechten en politicologie ging studeren, heb ik me ook daar fanatiek op het kunstleven gestort, en ging ik naar het buitenland om bijvoorbeeld de Documenta te bezoeken.’

Na zijn studie kreeg Nicolaï de gelegenheid zijn liefde met zijn kennis te combineren als stafmedewerker op de afdeling Rijkskunst van (toen nog) het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Daar had hij het prima naar zijn zin, tot in 1990 de functie van algemeen secretaris bij de Raad voor de Kunst (de voorloper van de Raad voor Cultuur) vrijkwam. Hij solliciteerde en werd, naar eigen zeggen met de hakken over de sloot, aangenomen. ‘Ik heb geen idee waarom ik het toen ben geworden. Ze zochten een stevige manager, maar ik had als stafmedewerker alleen nog maar de leiding over een secretaresse gehad. Ze hebben gewoon een gok genomen. Ik denk dat het hielp dat ik echt iets met kunst had.’

Als algemeen secretaris was Nicolaï verantwoordelijk voor een grote omslag binnen de Raad. ‘In die tijd gaf de Raad vooral projectsubsidies. Dat was veel werk en het had weinig invloed op het kunstbeleid en op de instellingen. Ik vond dat de Raad,maar ook het Rijk, zich juist moest richten op de instellingen en dat je die projectsubsidies in een fonds moest stoppen. Dat was toen bij de Raad vloeken in de kerk. Het heeft veel energie gekost om die veranderingen erdoor te krijgen. Maar het is wel gelukt. Toen is een Raad ontstaan die belangrijke adviezen geeft en die een doorslaggevende rol speelt als het gaat om subsidies. Er hing in die tijd, flauw getypeerd, nogal een jarenzeventiggeest. Met als adagium: als je zaal vol zit, zal er wel iets mis zijn met de voorstelling. Ik geloof niet in die benadering van kunst. Ik hou ook van kunst die je niet meteen begrijpt. Maar je moet wel altijd zoveel mogelijk publiek willen hebben. Dat is ook de reden om het te subsidiëren. De kunstenaar moet aan zoveel mogelijk mensen kunnen laten zien waarmee hij zich bezighoudt.’

Stevige Kritiek

Daarom moet de sector ook de hand in eigen boezem steken, vindt Nicolaï. Zij moet ook zelf nadenken hoe ze meer publiek kan trekken. ‘Het theater wordt wat dat betreft al een stuk opener. Toen ik me in de begintijd van Toneelgroep Amsterdam afvroeg waarom ze eigenlijk geen Ayckbourn zouden kunnen spelen, werd ik verketterd. Maar uiteindelijk zijn ze Ayckbourn gaan spelen. De sector zou nog creatiever de link met het publiek kunnen leggen. Bijvoorbeeld door cabaret- en musicalbezoekers te verleiden ook naar interessanter, gesubsidieerd toneel te gaan. Hoewel enige onvoorspelbaarheid het aardige aan toneel is, moet je het publiek wel het gevoel geven dat het weet wat het kan verwachten.’ Nicolaï ziet daarom wel wat in een kleiner aantal grotere gezelschappen die duidelijk herkenbaar zijn voor hun publiek. Wat dat betreft kan hij zich ook wel vinden in het advies van de Raad voor Cultuur dat in maart verscheen. Toch heeft hij er ook stevige kritiek op. Zijn grootste probleem is dat het

advies niet vanuit de bestaande structuur, maar vanuit de wens van de Raad is opgesteld. ‘De Raad heeft een inhoudelijke exercitie gepleegd over de basisinfrastructuur die we in Nederland zouden moeten hebben, in plaats van uit te gaan van wat er nu artistiek bloeit en hoe je daaraan ruimte kunt geven. Uitgaan van wat er zou moeten zijn, is heel interessant maar we halen het niet om dat allemaal te doordenken voor de volgende subsidieronde. Dat betekent dat je vastloopt. Daar maak ik mij zorgen over en daar zal ik de minister ook naar vragen. Zoals het voorstel er nu ligt, zie ik het niet goed gaan. Zo is het niet duidelijk welke instellingen in de podiumkunsten bij welke categorie gaan horen. En er moeten ook nog stadsgezelschappen en een Fonds worden opgericht.’

Verder mist Nicolaï in het advies een goede controle op de fondsen. ‘Ik ben voor meer ruimte voor de fondsen, omdat er in Nederland te veel rijksgesubsidieerde instellingen zijn. Fondsen kunnen veel instellingen beter subsidiëren dan het Rijk, omdat ze inhoudelijker en sneller zijn en dichter op het veld staan. Maar het beleid van zo’n fonds moet je vervolgens wel aan een extra streng politiek en inhoudelijk oordeel onderwerpen. Dat zit nu onvoldoende in de plannen en dat vind ik slecht. Ik wil het beleid van een fonds stevig inhoudelijk laten toetsen door een Raad voor Cultuur en dat ook zelf, in een stevige politieke discussie helpen meebepalen.’

Nogal Muf

De functie van de Raad staat wat dat betreft voor hem buiten kijf: ‘Het unieke van de Raad is dat hij een link kan leggen tussen de basisinfrastructuur en de kwaliteitsvraag, tussen strategie en inhoud. Daarin zit voor mij de essentie in wat ik van een adviesraad wil en waarom ik het Thorbecke-principe nog steeds belangrijk vind. Blijf als politicus op afstand van

inhoudelijke oordelen. Daar heb je een adviseur voor nodig in de vorm van de Raad.’ Volgens Nicolaï hebben andere partijen en dan vooral de regeringspartijen CDA en PvdA nogal eens de neiging zich te veel met de inhoud van kunst te bemoeien. ‘Uit moralisme, volksverheffing of multicultibevordering. Maar mijn diepe overtuiging is dat hoe meer ruimte je kunst geeft, hoe meer het zijn onmisbare rol in de samenleving kan spelen. Dat is de paradox. Als je denkt dat kunst een instrumentele rol moet spelen, dan zit je fout. Kunst is een belangrijk brandpunt waarin een heleboel maatschappelijke zaken samenkomen. Kunst kan daarop reflecteren, lucht of inspiratie geven of het verband tussen dingen laten zien. Maar je moet het niet voor het maatschappelijk belang willen inzetten. Dat is levensgevaarlijk.’

Over de cultuurparagraaf in het regeerakkoord is Nicolaï duidelijk: ‘Ik vind het eerlijk gezegd een beetje flut. Er staat eigenlijk niets in en het ruikt nogal muf.’ De investering van honderd miljoen in de kunsten vindt hij een ‘schandalig cadeau’: ‘Daar komt immers de idiote eis bij dat het veld wel zelf eerst vijftig miljoen moet ophoesten door middel van het profijtbeginsel. Ik vind dat een misselijke omgang met de sector. Die vijftig miljoen is een slag in de lucht. Ik heb recht van spreken, want ik ben als liberaal heel erg voor profijtbeginsels. Maar het profijt van een kunstinstelling is nu juist dat zij er is. Het is een wezenlijk foute gedachte dat kunst gaat om het profijt van de bezoekers. Opera moet er gewoon zijn en dat moet goede opera zijn. Dat is peperduur en het is ondenkbaar dat je mensen die daarvan “profiteren” meer zou laten betalen. Dan worden de kaartjes tweehonderd euro, komen er minder mensen en dan heb je geen opera meer. Er is qua prijselasticiteit immers een maximum, dat kun je gewoon uitrekenen.’

Het is nu afwachten wat de minister met het akkoord en het advies van de Raad doet. ‘Ik geef de minister alle ruimte om met een fris, goed en ruimhartig kunst- en cultuurbeleid te komen.’

Te Weinig VVD

Er moet in elk geval meer geld naar de kunst, vindt Nicolaï. Al is één procent van het Rijksbudget, waarvoor sommige partijen pleiten, weer te veel van het goede. ‘We zitten in Nederland niet te wachten op drie keer zoveel theatergezelschappen. Daar bewijs je echt niemand een dienst mee. Het is nu voor het publiek al moeilijk om het aanbod bij te houden. Ik geloof niet in het automatisme van “meer geld, want dan is er meer kunst”. Het moet in verhouding staan tot hoeveel mensen je met die kunst kunt bereiken.’

Liberaal kunstbeleid is ruimhartig kunstbeleid, vindt Nicolaï. ‘Dat blijkt de rode draad als je de geschiedenis van de VVD induikt. Mijn ervaring is dat er in de kunstwereld te weinig VVD wordt gestemd, terwijl men over het algemeen niet ongelukkig is met de VVD’ers die zich met kunstbeleid bezig houden. Omdat die inderdaad bekend staan als ruimhartiger en minder bemoeizuchtig, moraliserend en aanmatigend dan socialisten of christen-democraten.’ Waarom heeft de VVD dat ruime hart dan zo weinig laten zien toen zij in de regering zat? ‘Ik ben ook wel weer zoveel politicus om in te zien dat als er grote problemen zijn in het onderwijs of in de zorg, je de kunst niet heilig kunt verklaren, zodat die nooit hoeft te lijden.’


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.