De toon van de taal

Van Dale

Dit artikel verscheen eerder in ‘De kunst van het beïnvloeden’, het jubileummagazine van Kunsten ’92

De politiek en de kunsten zijn als sprekers van verschillende talen uit elkaar gedreven totdat ze op een gegeven moment elkaar niet meer verstonden. De eenzijdige, neoliberale nadruk op rendement zette de inherente kracht van kunst buitenspel. Maar de huidige cultuurpolitieke trend zet de deur weer open voor een nieuw gesprek, dat op een andere toon gevoerd wordt.

“We zien reikhalzend uit naar het rendement op onze investering”, sprak acteur en voorzitter van de Academie der Kunsten Gijs Scholten van Aschat tijdens het laatste Paradisodebat. Daaraan vooraf ging een bevlogen oproep aan de politiek om kunst weer serieus te nemen als maatschappelijke kracht. “Graag heb ik dat de politiek zich met de kunst bemoeit”, zei hij. “Dat ze met ons in discussie gaat. Zich opwindt en zich uit. De enige voorwaarde daarvoor is een gemeende interesse. En een blijk van vertrouwen in ons.”

Interessant is het vocabulaire dat Van Aschat gebruikt. Rendement en investering zijn onversneden economische termen. En woorden zijn niet onschuldig. Als je voor een bepaald vocabulaire kiest, sluit je automatisch een ander uit. Wie spreekt over markt en winst, rendement en investering, maakt een gesprek over intrinsieke waarde van de kunst bijna onmogelijk. Die doet er immers niet toe, als het doel is om winst te maken, te renderen.

Toch is de woordkeuze van Van Aschat begrijpelijk, het is een manier om de politiek met zijn eigen woorden om de oren te slaan. Maar kun je nog over de diepere waarde, de niet in geld uit te drukken waarden, spreken als je het eerst over rendement hebt gehad? Als je al in een economisch frame bent gestapt? En wordt die vertrouwensrelatie tussen politiek en kunst waar Van Aschat zo naar verlangt niet een wezenlijk andere als er in economische termen over gesproken wordt? Een relatie tussen debiteur en crediteur is immers niet dezelfde als tussen de politiek als hoeder van de maatschappelijke en publieke ruimte en de kunst als medevormgever daarvan.

Onversneden zakelijk

Het probleem van het gebrek aan een gedeeld vocabulaire waarmee kunst en politiek met elkaar kunnen spreken is uiteraard niet nieuw. Zo draagt de Nota Cultuurbeleid van minister Hedy D’Ancona in 1992 opvallend genoeg de titel Investeren in cultuur. De kritiek die de minister op de plannen krijgt is niet mals en richt zich op het gebrek aan samenhang, de bezuinigingen die de nota impliceert en de persoonlijke voorkeuren die D’Ancona liet doorschemeren door adviezen van de Raad voor de Kunst naast zich neer te leggen.

Opvallend is ook het gebruik van economisch vocabulaire en de grote aandacht voor publiekscijfers. Kunstjournalist Lien Heyting vermoedt daar in NRC Handelsblad de hand van het Ministerie van Financiën in. Een ministeriële werkgroep had de subsidies van de overheid tegen het licht gehouden en het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur gemeld dat de publiekscijfers en eigen inkomsten wel wat omhoog mochten. “En de minister van Cultuur, die tot dan toe in haar redevoeringen gesproken had over de mooie taak van de overheid de ‘cultuur te beschermen en te laten gedijen’, over de ‘kwaliteit van de kunst’, liet plotseling andere geluiden horen: ze sprak van ‘subsidieverslaving’ en een ‘versterking van de marktsector’,” schrijft Heyting. Hoewel de nadruk op meer eigen inkomsten en meer aandacht voor het publiek niet nieuw is – D’Ancona’s voorganger Brinkman was daar al mee begonnen -, is D’Ancona’s onversneden zakelijke toon dat wel, zeker voor een minister van socialistische huize.

De kunstsector reageert woest en verenigt zich in Kunsten ’92. “Wij wensen”, schrijft een van de oprichters en directeur van het Koninklijk Conservatorium Frans de Ruiter in een ingezonden brief, “als instellingen en gezelschappen serieus te worden genomen en niet met een inkomstenverhogende maatregel in de hoek gezet. We kiezen voor elan, bevlogenheid en argumenten in plaats van geconfronteerd te willen worden met subsidiekortingen op onze inkomsten.”

De grieven van de sector die De Ruiter vaststelt, verschillen niet veel van die van vandaag: de sector voelt zich niet serieus genomen, het cultuurbeleid gaat vooral over de vorm en te weinig over de inhoud, de cultuursector moet teveel doen voor te weinig geld, en de subsidieaanvragen worden te weinig op hun artistieke merites beoordeeld. Het is vooral de toon van De Ruiter die opvalt en de weerzin waarmee hij uithaalt naar het gebrek aan doordachte coherentie in D’Ancona’s plannen. Het is een zelfverzekerde, trotse toon die voorkomt uit een eigen vocabulaire om over de eigen waarde te spreken, die de kunstsector nu nauwelijks meer zou durven gebruiken.

Het is dezelfde toon waarmee de kunstsector spreekt als staatssecretaris Rick van der Ploeg een half decennium later de kunsten opdraagt meer aandacht te hebben voor jongeren en een cultureel divers publiek. Ook munt hij de term ‘cultureel ondernemerschap’. Weer reageert de kunst zelfverzekerd met het vocabulaire van de autonome kunst. Het grootste bezwaar is dat Van der Ploeg kunst tot cultuur zou reduceren. “Nogmaals, ik vind het verfrissend als de staatssecretaris probeert nieuwe elementen bij het begrip cultuur te betrekken. Hij moet alleen niet denken dat hij de cultuur zomaar kan beïnvloeden. Wij maken de cultuur niet. En laten we daar ook maar blij om zijn. De cultuur maakt zichzelf”, zegt Jan Vesserun, voorzitter van de Raad voor Cultuur in een interview met Trouw.

 Verbaal ideologisch sausje

Het lijkt erop dat de zelfverzekerde stem waarmee tijdens Van der Ploeg en D’Ancona de intrinsieke waarde en de autonomie van kunst werd verdedigd daarna is verdwenen. De snoeiharde botsing tussen het kunstenvocabulaire en het neoliberale discours tijdens de periode-Zijlstra is daar mede debet aan. Want hoewel de kunstensector de afgelopen decennia dezelfde taal bleef spreken, waren er steeds minder mensen in politiek en samenleving die die taal verstonden. Ondertussen veranderde wel de toon en taal waarmee de politiek op haar beurt over de kunsten sprak. Die kreeg al vanaf Brinkman steeds meer neoliberaal-economische leenwoorden: investeren, ondernemerschap, multipliereffect, gentrificatie.

Die veranderende politieke taal is verklaarbaar. Omdat er beleidsmatig weinig of slechts moeizaam aan de culturele sector te vertimmeren valt, is de neiging van bewindspersonen om over dat beleid een verbaal ideologisch sausje te gieten. Daarmee brengen zij niet alleen nieuwe accenten aan in het cultuurdebat (cultureel ondernemerschap, jongeren, culturele diversiteit, connectie met andere maatschappelijke domeinen), maar kleuren zij ook het beeld dat de samenleving van de sector heeft. Immers: als de gemiddelde burger al iets meekrijgt over de discussie over rol van kunst in de samenleving dan is dat als er een politiek debat over wordt gevoerd.

Tegelijkertijd zijn cultuurministers en –staatssecretarissen politici die een publieke functie uitvoeren en daarom in hun vocabulaire maatschappelijke tendensen laten doorklinken. Zo vindt er in het vocabulaire waarover door politiek en samenleving gesproken wordt een uitwisseling plaats. Door het gebruik van het juiste populistisch-economische vocabulaire wist Zijlstra gemakkelijk een negatief beeld van de kunstsector op te roepen waar de sector zelf nauwelijks een antwoord op had. Pas toen het autonome kunstdiscours in botsing kwam met de neoliberale taal van Zijlstra – en de Nederlandse samenleving het nou niet per se voor de kunsten opnam -, bleek hoe geïsoleerd de kunsten eigenlijk waren komen te staan. Hoe groot de kloof tussen de verschillende discoursen was geworden.

De kunsten spraken nog steeds met dezelfde woorden als in 1992, maar de samenleving verstond niet meer waar die kunstenaars het met hun ‘Mars der Beschaving’ eigenlijk over hadden, wat ook pijnlijk duidelijk werd in de verslaggeving van die demonstratie in de landelijke media. Wat Zijlstra bedoelde met ‘subsidieverslaving’ (een term die D’Ancona dus al had gemunt), begreep de gemiddelde Nederlander veel beter.

De kunstsector zocht dan ook wanhopig naar nieuwe woorden die door politiek en samenleving wel begrepen worden. Het werk van stadsgeograaf Richard Florida die de creatieve klasse als leidend in stadsontwikkeling benoemde en econoom Gerard Marlet die bloeiende cultuur in verband bracht met stijgende huizenprijzen waren voor de kunstsector dan ook een zegen. Eindelijk kon het de politieke klasse om de oren slaan met de eigen argumenten: kunst brengt geld in het laadje, het is goed voor de economie en elke euro die je in kunst steekt, rendeert. Daarmee hervond de kunstsector wat van zijn oude trots, maar tegelijkertijd spreekt het zijn eigen taal niet meer. Strategische mimicry noemde financieel geograaf Ewald Engelen het in een artikel in de Groene Amsterdammer: “Het gevolg van zulke strategische mimicry”, schreef hij, “is dat zo langzamerhand niemand meer de taal beheerst om een overtuigend pleidooi te houden voor zaken die niet reduceerbaar zijn tot plat economisch belang. Het zal nuttig zijn of het zal niet zijn.”

Want nu zelfs Richard Florida in zijn nieuwste boek The New Urban Crisis erkent dat hij zichzelf vergist heeft, dat de nadruk op de creativiteit in de stad de ongelijkheid in veel steden heeft vergroot en gentrificering en overkokende huizenprijzen heeft aangejaagd, wat blijft er dan nog over van de waarde van kunst? De woorden om de intrinsieke waarde van kunst te benoemen zijn immers in onbruik geraakt.

Het onvoorstelbare verwoorden

Voor de kunsten is dat een veel groter probleem dan voor de politiek. De politiek heeft altijd een flexibele en meer opportunistische woordenschat gehad, omdat het steeds opnieuw de verhouding tussen beleid en ideologie moet zien te verwoorden in een snel veranderende wereld en ten opzichte van een beweeglijk electoraat. Tegelijkertijd lijkt ook de politiek nu zijn woorden kwijt. De neoliberaal-economische woorden die het politieke discours overheersten komen bij steeds minder mensen aan. Ze voelen ongemakkelijk. Niet voor niets lenen politici steeds vaker woorden en frasen uit de cultuurfilosofie. Zie bijvoorbeeld de recente H.J. Schoo-lezing van CDA-leider Buma, die het nauwelijks meer had over economie, maar vooral over identiteit en cultuur.

Economische politiek wordt steeds meer vervangen door identiteits- en cultuurpolitiek. En juist daar ligt een kans voor de kunstensector. Want de woorden zijn misschien ver weggezakt, maar de kunsten zijn nog steeds veel vloeiender in het spreken over identiteit en cultuur. Zij kunnen juist door die grotere woordenschat verdieping geven aan een nogal plat maatschappelijk gesprek over wie wij zouden (of willen of kunnen) zijn. De kunsten zouden leidend kunnen zijn in het leggen van de politiek gewenste verbinding tussen daar waar we vandaan komen (erfgoed, musea, de canon) en daar waar we heen willen en kunnen (de experimentele waarde van kunst).

De kunsten moeten dan niet opnieuw het discours van de politiek overnemen, want dan zijn de kunsten bij een opportunistische politieke discourswissel weer terug bij af. Het gaat erom te luisteren wat er door de ander – in politiek en samenleving – wordt gezegd en daar in eigen zelfverzekerde en betere woorden een vertaling van te geven. Dat kan dan worden geïnjecteerd in het maatschappelijk debat en in het werk dat gemaakt wordt. Voor dat laatste biedt een nieuw discours weer meer ruimte. Als er over kunst gesproken wordt in economische termen gaat het nooit over de inhoud van het werk, alleen over de waarde ervan.

Een en ander betekent niet dat de kunst de samenleving en politiek naar de mond moet praten. Ze moet juist nieuwe perspectieven bieden door het publieke domein te verrijken met nieuwe manieren om over dat domein te spreken. De kunst moet het weer zelfverzekerd gaan hebben over de inhoud, zonder daarbij de belangen van samenleving en politiek uit het oog te verliezen. Om een goede vertaling te kunnen geven, moet je eerst goed luisteren.

Daarvoor – en daarin heeft Van Aschat gelijk – is nodig dat samenleving en politiek weer zodanig in elkaar vertrouwen dat er daadwerkelijke uitwisseling mogelijk is. Dat er interesse is om elkaars woorden te leren. Politiek, kunst en samenleving moeten zich juist met elkaar bemoeien, om te voorkomen dat ze eilandjes worden. Nu het maatschappelijk debat op een terrein is beland waarvan de kunsten het beste het discours beheersen, ligt er de kans voor de kunst om het maatschappelijk debat vorm te geven. Het is een gewenste gidsrol in een samenleving waarin onzekerheid over de toekomst een belangrijk gegeven is. Juist de kunst kan woorden en beelden verzinnen voor dat wat er nog niet is, voor dat wat zich nog niet laat voorstellen. Dat maakt de kunst op dit moment bij uitstek in staat om als maatschappelijke kracht het discours te bepalen. Mits de politiek haar daarin serieus neemt.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *