Wie is er solidair met de progressieve kunstenaar? – Essay voor TM

Ik vond het ook een stoere daad. Tijdens haar toespraak ter gelegenheid van het ontvangen van de Erasmusprijs sprak internationaal programmeur Frie Leysen tegen alle protocol in koning Willem-Alexander direct aan op het feit dat de kunsten in zijn land niet meer kunnen ademen. Dat Nederland een land geworden is waar conservatisme welig tiert en waar het artistiek geïnteresseerde publiek niet meer aan zijn trekken komt, terwijl engagement, risico’s, radicaliteit en verandering de kern van de kunsten zouden moeten uitmaken. Leysen droeg de prijs dan ook op aan een kritisch en nieuwsgierig publiek dat behoefte heeft aan andere opinies.

Ik geloof zelf heilig in de progressieve waarde van kunst. Ik denk dat die een mogelijkheid schept om de zaken vanuit een ander perspectief te bekijken, je eens in de positie van een ander te verplaatsen of na te denken over alternatieven voor onze huidige samenleving. Meer mensen denken daar zo over, getuige de gretigheid waarmee Leysens speech via de digitale kanalen werd verspreid. Het gebeurt niet zo vaak dat iemand zich zo eloquent uitspreekt voor een kunst ‘die kunst mag zijn, zonder politieke en commerciële agenda’.

Ideologisch geladen

Toch schuurde er iets in de speech van Leysen. Hoewel ze oproept tot kunst die zich aan de agenda van de politiek en de samenleving onttrekt, is haar eigen agenda voor de kunsten uiterst politiek-ideologisch. Vanuit de vrije ruimte, vindt Leysen, moeten kunstenaars ‘onze maatschappij kunnen analyseren, wijzen waar het pijn doet en ons, hun publiek, kunnen inspireren.’ Dat die maatschappij van Leysen niet bourgeois, commercieel en conservatief mag zijn geeft al aan dat haar idee van inspiratie en analyse niet zo ‘vrij’ is als ze wil suggereren.

Ik ben het gevoelsmatig wel met Leysen eens, maar wat we in de cultuursector nog wel eens vergeten, is dat het progressieve concept van de vrije ruimte geen universele geldigheid heeft. Het is door en door ideologisch geladen met een idee van wat ‘goed’ is voor de samenleving. Het gevaar van Leysens houding is dat we ons in een hoekje van de samenleving terugtrekken (of in de zee, zoals Leysen zei) met een gelijkgestemd ‘kritisch en nieuwsgierig’ publiek dat de ideologie van de kunstenaars deelt. Wat valt er voor ‘stoorzender’ te spelen als publiek en kunstenaars het eigenlijk met elkaar eens zijn?

In een wat rellerig opiniestuk vroeg Tom Naegels in de Vlaamse krant De Standaard zich precies datzelfde af. Het probleem is, schrijft hij, dat het prikkelen en het ‘bevragen’ waartoe Leysen oproept ideologisch eenrichtingsverkeer is. Conservatisme, nationalisme en verrechtsing moeten kritisch worden bekeken, maar Naegels vraagt zich terecht af of Leysen (of de progressieve kunstenaar in het algemeen) andersom ook zo geprikkeld wil worden. Nooit zegt een kunstenaar, in de woorden van Naegels: ‘(Dank) aan (de schrijver) die mij met zijn prikkelende essay over de vrijheid om te mogen discrimineren echt op het verkeerde been gezet heeft. Ik heb moeten wroeten om mijn overtuigingen overeind te houden. Héérlijk!’

Solidariteitskwestie

Als kunstenaars van hun eigen geld kunst zouden maken, was hun links-progressieve blinde vlek of het feit dat ze zich in een hoekje terugtrekken niet zo’n probleem. Maar de progressieve kunsten verwachten van de overheid dat ze zo’n vrijplaats financieel ondersteunt, vanuit de gedachte dat de overheid hun opvatting over de rol van de kunst in ‘de goede samenleving’ deelt.

De overheid en de kunsten zijn er echter niet alleen voor progressieve burgers en voor het kritische en nieuwsgierige publiek. Zo raakt een en ander aan een interessante solidariteitskwestie. Kort door de bocht verwachten progressieve kunstenaars solidariteit van alle Nederlandse burgers (in de vorm van door hen op te brengen belastinggeld), maar andersom is er weinig solidariteit voor de denkstromingen waarbij diezelfde Nederlandse burgers voor een groot deel houvast vinden, zoals nationaal en cultureel conservatisme.

Dat is precies de reden waarom de Britse conservatieve filosoof Roger Scruton een bloedhekel heeft aan vernieuwende en met name postmoderne kunst: zij sluit grote groepen mensen buiten. Scruton schrijft dat in progressieve kunstuitingen ‘de utopische beloften van het socialisme gekoppeld worden aan abstracte visies of gedachten die nauwelijks in relatie staan tot hoe de meeste mensen denken. (…) De officiële cultuur staat niet op afstand van (gewone) mensen, maar staat vooral diep vijandig ten opzichte van wat zij geloven, wat zij voelen en waar zij op hopen.’ Dat is ook de irritatie die de term ‘Mars der Beschaving’ opriep. Blijkbaar zijn kunstenaars beschaafder dan ‘gewone’ mensen?

Voor Scruton is de gijzeling van de cultuur door postmoderne en progressieve kunstenaars een groot probleem, omdat cultuur in zijn ogen idealiter het zelfbewustzijn is van een samenleving. Daarom moet die cultuur gegrond zijn in gedeelde, conservatieve waarden die volgens hem universeel zijn. Als kunstenaars steeds maar weer die universele waarden ondergraven of uitdagen, tast dat het cement van de samenleving aan, vindt hij. Kunst mag van hem best elitair of moeilijk zijn. Maar die kunst moet wel gegrond zijn in een gedeeld cultureel en bij voorkeur conservatief kader.

Ook dergelijke kunst subsidiëren we in Nederland overigens. Denk aan het Rijksmuseum of Het Concertgebouw. Volgens de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, zouden dergelijke vormen van ‘cultureel erfgoed’ dan ook het enige moeten zijn waaraan de staat subsidie geeft, schrijft het in het boekje ‘Manifestaties van de vrijheid des geestes. Een liberale kijk op cultuur en sport’.

Flinke erosie

Je hoeft het niet eens te zijn met het conservatisme van Scruton – ik ben dat zelf althans niet – om wel deels te kunnen meegaan in zijn gedachtegang dat links-progressieven vaak wel heel goed zeggen te weten wat goed is voor anderen en vinden dat andere mensen daar dan dus vanzelfsprekend solidair mee moeten zijn. Maar, zegt Scruton, er zijn heel veel mensen die helemaal niet willen dat een kunstenaar aan hun weinige zekerheden gaat lopen rammelen. De links-progressieve visie op cultuurbeleid mag dan wel een aantal decennia leidend zijn geweest, het is niet de enige visie en ze is, zoals we bij de recente bezuinigingen hebben gezien, aan flinke erosie onderhevig.

Uiteraard leidt het conservatieve denken van Scruton aan hetzelfde euvel. Ook hij denkt te weten wat ‘de goede samenleving’ is. Beide denkstromen hebben, kortom, een blinde vlek voor hun eigen moralistisch paternalisme, dat omschrijft wat goed zou zijn voor iedereen. Dergelijk gelijkheidsdenken, schreef hoogleraar Bestuurskunde Paul Frissen onlangs in Trouw, berust op een specifiek idee van wat normaal is. ‘Een theorie die alle mensen voor gelijk houdt, heeft een norm die een mens een mens maakt. (…) Er moet dus een gemeenschappelijke set van karakteristieken zijn – biologisch, intellectueel, cultureel, sociaal – die het mens-zijn bepaalt.’ Het gelijkheidsdenken suggereert dat ieder mens in principe hetzelfde is en dus aan dezelfde samenleving behoefte heeft. Alles wat anders is en wat buiten die uniforme set karakteristieken valt, is dan niet ‘normaal’.

Charlie Hebdo

En op dit punt in mijn verhaal doorsneed de buitenwereld mijn schrijven. Terwijl ik bovenstaande op papier zette, zijn twee gemaskerde mannen in Parijs een redactiekantoor ingelopen om een aantal kritische tekenaars en journalisten te executeren. Omdat ze moeite hadden met het feit dat een kunstzinnige uiting als kritische stoorzender kan werken. Omdat ze vinden dat zij op basis van een vermeend goddelijk recht mogen bepalen wat ‘normaal’ is, welke culturele en sociale karakteristieken dominant zouden moeten zijn. En dat iedereen die zich daaraan niet wil houden dood moet.

Ik stond op het punt te schrijven dat het merkwaardige aan het Nederlandse cultuurbeleid is dat – hoewel de conservatieve en progressieve cultuurvisie in feite haaks op elkaar staan – de Nederlandse overheid zowel het Rijksmuseum als De Warme Winkel subsidieert en dus recht doet aan beide stromingen. Dat die cultuurvisies als gezegd hoogst ideologisch zijn, maar dat die ideologische discussie nooit wordt gevoerd. Als verklaring daarvoor zou ik gaan geven dat de Nederlandse politiek inmiddels hoogst technocratisch is en als hoogste doel heeft problemen en processen te ‘managen’ zonder er vervolgens rekenschap van te geven op welke ideologie of maatschappijvisie die oplossingen en processen zijn gestoeld. Dat het ideologische, kortom, geen onderdeel meer is van het (cultuur) politieke domein. En of dat niet zou moeten …

De recente aanslag op het weekblad Charlie Hebdo in Parijs laat zien dat de ideologische publieke discussie over de waarde van kunst helemaal niet afwezig hoeft te zijn. Het blijft nodig om kritische vragen te stellen over de samenleving, over extremisme, over democratie. Maar wat ze ook duidelijk maakt, is dat de conservatieve en de progressieve opvatting over kunst en samenleving misschien niet haaks op elkaar hoeven staan, maar ook in elkaars verlengde kunnen liggen. Het hoeft ook niet meteen conservatief nationalistisch te zijn om als land een nationale geschiedenis te formuleren die een groot deel van de inwoners met elkaar delen en waaruit gedeelde waarden en vrijheden voortvloeien, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van pers en expressie en het democratisch staatsrecht. Maar het kan geen kwaad om af en toe eens tegen het licht te houden wat die geschiedenis, die waarden en vrijheden op dit moment nog betekenen. Dat ondergraaft die waarden niet, zoals Scruton denkt, dat versterkt ze, omdat de gedeelde waarden telkens opnieuw herijkt worden en zo worden afgestemd met een veranderende samenleving. De massale reactie van afschuw op de moord op kritische kunstenaars laat zien dat de noodzaak van kritische kunst maatschappelijk gedeeld wordt en dat het herijken van die waarde een verbindende potentie heeft.

De goede samenleving

Het grootste gevaar is dat we de gedeelde waarde van vrijheid van expressie gaan misbruiken om mensen buiten te sluiten door er bijvoorbeeld mee ‘aan te tonen’ dat moslims niet tegen kritiek kunnen, maar nalaten om ook kritisch naar onze eigen samenleving te kijken. Kunst wordt zo een instrument voor een cultureel gelijkheidsdenken, waarmee de samenleving als een uniforme set van culturele en sociale karakteristieken wordt gedefinieerd. Dat is net zo goed ideologisch eenrichtingsverkeer als dat op progressieve kunstenaars soms te verwijten valt. In beide gevallen wordt immers een enkelvoudig beeld van ‘de goede samenleving’ geschetst waarvan sommige mensen worden buitengesloten.

De kunsten zouden nu juist de plek kunnen zijn waar met iedereen gesproken wordt over alle verschillende opvattingen over de ‘goede’ samenleving in plaats van over een enkele. Waar een doorlopend maatschappelijk gesprek wordt gevoerd over welke waarden we delen en waarover we van gedachten verschillen, zodat we juist niet verstrikt raken in een paternalistisch eenheidsdenken, of dat nu conservatief, progressief, nationalistisch of fundamenteel islamitisch is. Zoals Frissen schrijft: ‘Meervoudigheid (in denken, zien en handelen) betaalt zich terug in stabiliteit en veerkracht en voorkomt dat we een enkelvoudige identiteit aan de samenleving opleggen. Natuurlijk kunnen we in een samenleving iets delen, namelijk onze verschillen. En precies daarop zou het publieke domein gericht moeten zijn, op de vormgeving van pluraliteit.’

Ruimte bieden aan (culturele) pluriformiteit is idealiter een gedeeld project van zowel conservatieven als progressieven, van kunstenaars en hun publiek, waarbij er van alle kanten solidariteit wordt gevraagd. Van burgers, omdat ze beseffen dat kunst vrijheid behoeft; van conservatieven, omdat er ook aan zekerheden mag worden gemorreld; van kunstenaars en progressieven, omdat die zich ervan bewust moeten zijn dat niemand van het gedeelde project zou mogen worden buitengesloten, ook als ze conservatief zijn, religieus, overtuigd kapitalist of gewoon niet bereid om aan hun zekerheden te laten morrelen.

Het interessante is dat het huidige cultuurstelsel die pluriformiteit al in zich draagt, omdat de klassieke culturele canon en het vernieuwende naast elkaar kunnen bestaan. Over de potentiële kracht daarvan wordt te weinig gesproken. Meer bewustzijn van het hoogst ideologische karakter van (de onderdelen van) dat stelsel kan bijdragen aan een gesprek over de noodzaak van het handhaven van het pluralistische karakter ervan.

De verschrikkelijke gebeurtenissen in Parijs laten zien wat de noodzaak is voor een dergelijk stelsel en het potentiële draagvlak dat er in alle hoeken van de democratische samenleving voor dat stelsel is. Het gesprek daarover voer je niet vanuit je eigen hoekje en via een ideologische monoloog voor je eigen publiek. Maar juist midden in de samenleving met zoveel mogelijk verschillende mensen.

Cartoon: Joep Bertrams voor De Groene Amsterdammer

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.