Nederland na de bijl – analyse voor Rekto:Verso

Rekotverso

Op 1 januari ging in Nederland het nieuwe cultuurstelsel in, waarmee het neoliberale kabinet Rutte-I de Nederlandse cultuur ondernemender en sterker wou maken. Is dat gelukt? In het nieuwe kunstenlandschap vallen vooral de inconsistenties en de kale plekken op. Niet zozeer de heftige bezuinigingen, maar vooral het gebrek aan coherent beleid blijkt nefast.

Dit artikel werd geschreven voor het Vlaamse kunsttijdschrift Reko:Verso

Het bleef stil op 1 januari 2013. Na alle commotie om het gevreesde nieuwe kunstenplan van oud-staatssecretaris Halbe Zijlstra, na de Schreeuwen om Cultuur en de Marsen voor Beschaving, maakte de uiteindelijk bijlslag bij het begin van het nieuwe jaar nauwelijks geluid. Alsof de Nederlandse cultuursector zijn stem had stuk geschreeuwd, of misschien te moe was. Omdat men zich bij het nieuwe cultuurstelsel had neergelegd, omdat men van de nieuwe cultuurminister van socialistische huize Jet Bussemaker herstel verwacht.

Zelfs de sluitingen en laatste voorstellingen gaan relatief geruisloos voorbij. Stilletjes heeft het Nederlandse Theaterinstituut zijn deuren gesloten, net als het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam. Een daverend applaus was er voor de laatste voorstelling van de legendarische mimegroep Carver, die daarna stilletjes afging in de coulissen om verder te repeteren aan een nieuwe voorstelling, zij het niet meer structureel gefinancierd. Productiehuizen Productiehuis Brabant in Den Bosch en het Huis van Bourgondië in Maastricht stopten zonder veel ophef met hun activiteiten.

Die stilte is opvallend, omdat – nu de kruitdampen van drie jaar populistisch cultuurbeleid zijn opgetrokken – wel degelijk onherstelbare schade blijkt te zijn aangericht. Schade die zich niet zozeer toont in het verdwijnen van grote aantallen kunstinstellingen, maar wel in de gaten van de structuur van het kunstbeleid. Gaten die er zelfs met de opgelegde korting van 200 miljoen (een korting van 20%) niet hadden hoeven zijn.

Snoeizin

Het kan helpen om eerst nog even de oorspronkelijke overwegingen van maatpakjongens Zijlstra en premier Mark Rutte in herinnering te brengen. Ging het hen wel om het creëren van een kunstbestel dat misschien goedkoper was, maar evengoed stevig, doordacht en kwalitatief hoogwaardig? Hun bezuiniging moest vooral de daadkracht laten zien van een kabinet dat in tijden van crisis manhaftig snoeit in al die overbodige overheidsuitgaven aan kunst, ontwikkelingssamenwerking en milieu. De cultuursector staat te veel met zijn hand naar Den Haag en met zijn rug naar het publiek, was de steeds herhaalde mantra. Zijlstra en Rutte zouden dat varkentje wel eens even wassen en de sector marktconform maken. Het beeld van een cultuursector die liever zijn hand ophoudt bij de overheid en niet snapt hoe je zelf je broek kunt ophouden, ging er bij het grote publiek in als koek. Een serieus debat over de rol van kunst en de overeenkomstige taak van de overheid hoefde daarom niet te worden gevoerd.

Toch liggen de feiten net een beetje anders dan Zijlstra en Rutte suggereerden. Ten eerste moet de massa aan ‘moeilijke’ kunst niet worden overschat. Zo is slechts minder dan 15% van het Nederlandse podiumkunstenaanbod gesubsidieerd, de rest is commercieel aanbod. Bovendien bestaat al sinds de jaren 1980 de eis om naast subsidie een percentage eigen inkomsten binnen te halen. En er werden niet voor niets verschillende plannen bedacht en commissies ingesteld rond oplossingen voor het rammelende draagvlak. Er was het plan van staatssecretaris Rick van der Ploeg (PvdA) uit 1999, om meer jongeren en allochtonen bij cultuur te betrekken. Er was de commissie van oud-cultuurminister D’Ancona, die in 2006 de discussie over de gebrekkige verhouding tussen vraag en aanbod aan de orde stelde. En er was de commissie Sanders, die in 2008 onderzocht hoe de cultuursector zijn financiële en maatschappelijke draagvlak kan vergroten.

Slechts drie jaar voordat Halbe Zijlstra aan de slag ging, had de socialistische minister Ronald Plasterk een structuur ingericht die precies in Zijlstra’s lijn ligt, omdat meer draagvlak voor cultuur en meer eigen inkomsten erin centraal staan. Dat stelsel voorziet in grote stadsgezelschappen en een Fonds voor het kleinere theateraanbod, in productiehuizen waar jong talent wordt opgeleid, en strengere eisen rond cultureel ondernemerschap. Sectorinstituten zoals het Theaterinstituut zouden een belangrijkere rol gaan spelen. Maar toegeven dat de belastinggeld verspillende socialisten misschien wel goed op weg waren naar een meer afgewogen cultuurbeleid, paste niet in Zijlstra’s populistische kraam. En dus presenteerde hij in de zomer van 2011 zijn eigen blauwdruk voor een nieuw cultuurstelsel vanaf 2013, dat de pijlers wegzaagde onder een cultuurstelsel van nog geen drie jaar oud.

Kaalslag

Het merkwaardige is dat de besluiten die Zijlstra nam, haaks stonden op wat hij zei te willen oplossen: de subsidieverslaving en het gebrek aan eigen verdienvermogen. Vooreerst werd de omzetbelasting voor culturele producten verhoogd van 6% naar 19%, behalve voor bioscopen en circus (een cadeautje aan de PVV van Geert Wilders). Van elke zelf meer verdiende euro moesten culturele instellingen voortaan meteen 13 cent extra afdragen aan de overheid. Vanzelf werden kaartjes duurder, met risico van vraaguitval.

Bovendien werd de meeste subsidie in het nieuwe stelsel voorzien voor grote, gevestigde culturele instellingen zoals de stadsgezelschappen en de Nederlandse Opera: de instellingen die door hun omvang, hun status en hun grote publiek juist in staat moeten worden geacht meer geld uit de markt te halen. Omgekeerd vielen de grootste klappen bij het Fonds Podiumkunsten (dat de kleinere theater- en dansgezelschappen financiert), bij het jeugdtheater en de talentontwikkeling: initiatieven die minder snel sponsors zullen vinden en hun kaartjes niet heel veel duurder kunnen maken. In het huidige stelsel gaat er net zoveel geld naar de Nederlandse Opera als naar alle kleine theater- en dansgezelschappen bij elkaar. De financiering van de productiehuizen voor jong talent is opgeheven, net als die van de sectorinstituten. En alle maatregelen die minister Plasterk nog geen vier jaar eerder nam om instellingen ondernemender te helpen worden, zijn geschrapt in ruil voor een zogenaamde ‘geefwet’, die het voor gulle schenkers goedkoper moet maken om voor mecenas te spelen.

Nog schadelijker was dat Zijlstra eenzijdig afrekende met de jarenlange informele taakverdeling tussen het Rijk en de gemeenten – de gemeenten betalen voor de theaters, het Rijk voor de gezelschappen en de talentontwikkeling. Overleg met de gemeenten was er niet, zij hadden het nieuwe beleid maar te slikken. En zo vangt elke gemeente de Rijksklappen nu op zijn eigen manier op: een beleidsmatig ratjetoe, ten koste van het vroegere integrale beleid. Dat ook gemeenten nu flink moeten bezuinigen, maakt het gebrek aan overkoepelend beleid voor de cultuur alleen nog maar gevaarlijker. De ene gemeente doet er misschien alles aan om nog wat kleine gezelschappen en productiehuizen overeind te houden (Amsterdam). De andere gemeente bezuinigt even hard en visieloos mee, waardoor de klappen voor de cultuursector twee keer zo hard aankomen (Rotterdam). De min of meer samenhangende structuur die alle ketens van cultuurproductie aan elkaar koppelde en het cultuuraanbod redelijk gelijkmatig over het land spreidde, is uit elkaar gevallen.

Braakland

Terug naar de concrete effecten vandaag. Wanneer in 2012 de subsidiebesluiten bekend worden, blijken er onvermijdelijk pijnlijke klappen te vallen. Het grootste jeugdtheatergezelschap van Nederland, de Toneelmakerij, raakt tweederde van zijn subsidie kwijt. Het net verhuisde Theaterinstituut wordt opgeheven. Er wordt felle strijd geleverd om zijn enorme collectie theatererfgoed bij de Universiteit van Amsterdam onder te brengen, want het ministerie wil daar in eerste instantie niet aan bijdragen. Een aantal productiehuizen voor jong talent moeten hun werkzaamheden stoppen, anderen gaan afgeslankt en met beperkte mogelijkheden door, zoals de Haarlemse Toneelschuur of Huis a/d Werf in Utrecht.

Opvallend is verder dat het aantal subsidieaanvragen bij het Fonds Podiumkunsten relatief laag is gebleven. Er is een groot aantal instellingen, vooral in de danshoek, dat de kans op subsidie zo laag inschat dat ze niet eens meer een aanvraag indienen. In het theater vallen de grootste klappen onder de kleine groepen: onder andere Nieuw West, Bambie, Carver, ’t Barre Land en OMSK van Lotte van den Berg raken hun subsidie kwijt. Door gemeentelijke bezuinigingen moet onder meer het Rotterdamse Onafhankelijke Toneel gedwongen de deuren sluiten. Sommige groepen, zoals het OT en Carver, stoppen na decennia definitief. Anderen proberen op andere manieren projectgelden bij elkaar te schrapen per productie, zoals Bambie of Lotte van den Berg. Daarmee wordt nog een gat in het stelsel duidelijk: groepen kunnen niet meer in relatieve continuïteit werken, maar slechts iets maken als er geld bij elkaar gevonden is. Dat heeft uiteraard grote gevolgen voor de herkenbaarheid van die groepen bij het publiek en voor de inkomenspositie van de kunstenaars.

Verdwijnende instellingen door besparingen zijn pijnlijk, maar de schadelijke erfenis van Zijlstra is veel structureler van aard: die bestaat vooral uit kale plekken en verbroken schakels in de productieketen. Waar het Nederlandse kunstenveld eerder nog kon bogen op een relatief goed werkende structuur met een paar stevige pijlers en een samenhangend beleid, zijn nu zowel structuur, pijlers als samenhang uit het cultuurbeleid verdwenen. Gemeenten en Rijk voeren elk hun eigen beleid. Door het verdwijnen van de productiehuizen is er een kloof tussen scholen en het werkveld. Voor vele kunstenaars wordt het lastig om structureel in hun onderhoud te voorzien: zij moeten hun eigenlijke werk ‘erbij’ doen. Daardoor wordt kunst inderdaad een hobby. Als het Zijlstra echt te doen was om een sterkere cultuursector, dan heeft hij absoluut gefaald.

Wildgroei

Er zijn natuurlijk altijd slimmeriken die in die kale plekken een markt zien. Zo zijn er inmiddels duizend-en-een onsamenhangende initiatiefjes die zich op talentontwikkeling richten. Eenzelfde warrige wildgroei is ontstaan als het gaat om ‘adviseurs’ die zich bezig houden met cultureel ondernemerschap of initiatieven die het eigen verdienvermogen moeten vergroten: crowdfunding, vriendengroepen, twitter-meet-en-greets, veilingen van decorstukken, sponsordiners. Iedereen vindt continu dezelfde wielen uit. Samengewerkt wordt er nauwelijks, laat staan gekeken of die initiatieven ook daadwerkelijk werken. Een structurele oplossing voor wegvallende financiën zijn de ideeën en ideetjes in elk geval niet. Net zoals jong talent niet geholpen is met een los projectje hier of daar, waarmee het weer drie maanden voor een appel en een ei onbegeleid een voorstellinkje kan maken.

Van de nieuwe regering Rutte-II is geen hulp te verwachten. Hoewel de toon van de nieuwe socialistische minister Bussemaker veel aangenamer is, heeft ze geen geld om de kale plekken opnieuw in te zaaien. Het draagvlak voor cultuur is maatschappelijk en politiek zodanig klein, dat voorstellen om opnieuw meer geld te investeren om de ergste schade te repareren het niet zullen halen. Maar zoals Eric Japenga, de oud-zakelijk leider van Productiehuis Brabant, het treffend verwoordde: de cultuursector zit niet zozeer te wachten op meer geld, maar vooral op samenhangend beleid. Wellicht dat Bussemaker daar de komende jaren iets aan kan doen.

De stilte na 1 januari 2013 laat zich misschien grofweg in twee richtingen verklaren. Een grote groep jonge makers heeft stilletjes zijn boeltje gepakt en is een andere richting uit geslagen. Het is mooi om te zien hoe een jonge generatie zich niet uit het veld heeft laten slaan en meer geïnspireerd is dan ooit om iedereen te laten zien dat hun werk er wel toe doet. Dat de structuren wankel zijn of gebarsten, maakt voor hen niet uit. Vaak bewegen ze zich zonder (veel) subsidie tussen de structuren door, juist omdat ze onafhankelijk willen zijn van subsidiegevers. Per project vinden ze niet alleen nieuwe publieken, maar ook nieuwe partners en financiers: afhankelijk van de voorstelling is dat de ene keer de woningbouwvereniging, de andere keer een grote bierbrouwer. Ilay den Boer gaat een groot discriminatieproject doen met voetbalbond KNVB, Lotte van Berg maakte metPleinvrees een voorstelling die goedkoop, flexibel en overal speelbaar is. Lucas de Man bracht met Sketch bewoners en bestuurders van verschillende steden met elkaar in gesprek over de toekomst van hun stad. Het zijn deze kunstenaars waar de werkelijke vernieuwing van uitgaat. Van hen moet het herstel van het draagvlak voor kunst komen.

De stilte bij de grote gezelschappen en theaters is veel zorgelijker. De grote structuren gaan weer aan het werk alsof er de afgelopen jaren niets is gebeurd. Zij verwachten dat met een socialistische minister de storm weer voorbij is. Of die conservatieve houding zo verstandig is? Het populisme is nog niet verslagen. Het wacht rustig op een tweede kans.

Comments

  1. Het kabinet moet nu eens duidelijk aangeven waar zij voor staat en ons geen knollen voor citroenen gaan verkopen.
    ik zie een duidelijke parallel met ‘de zorg’, hier wordt ‘amateuristisch geknuffel /plattelands-community’ verkocht als noodzakelijk privee-initiatief.
    een experiment vooral ingegeven door het budget.
    ik heb niets tegen een schaduw-economie en dat er naast het commercieele weefsel een soort cda-dynamiek bestaat.
    maar laten we a.u.b. wel dingen bij hun naam noemen:
    en niet onmeetbare zelfhulp in de zorg en kunsten als
    knollen verkopen!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.