Zakelijk leiders op zoek naar een overheid

NNT

Het blijkt een uniek treffen te zijn. De zakelijk leiders van de acht BIS-gezelschappen uit Groningen, Leeuwarden, Maastricht, Arnhem, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Tilburg zien elkaar uiteraard vaker, maar zelden zitten ze alle acht tegelijk aan één tafel. Theatermaker bracht ze allemaal bijeen naar aanleiding van de ingang van het nieuwe Kunstenplan op 1 januari 2013. Centrale vraag: wat heeft het nieuwe stelsel aan veranderingen met zich meegebracht?

Met veel dank aan en met medewerking van Simon van den Berg

‘Er is helemaal geen nieuw stelsel,’ poneert Jacques van Veen (Ro Theater, Rotterdam) meteen maar de eerste stelling. ‘Het nieuwe stelsel is het stelsel zoals het was, met een aantal dingen eruit gesloopt.’

Arie Wink (Noord Nederlands Toneel, Groningen) valt hem daarin bij: ‘Voor de BIS-gezelschappen is er feitelijk niets veranderd. We moeten nog steeds drie grote voorstellingen maken, zo- en zoveel bezoekers trekken en een bepaald percentage eigen inkomsten halen.’

Maar langer doorpratend blijkt er sinds 1 januari toen het nieuwe Kunstenplan van kracht werd wel degelijk een en ander veranderd. Vooral het combineren van een vast aantal te maken voorstellingen met meer publiek en meer inkomsten blijkt niet altijd eenvoudig. Financiën vanuit provincie, gemeenten en fondsen lijken op te drogen en de verhouding met schouwburgen verandert. Dat heeft gevolgen voor wat er wordt geproduceerd.

Overheidslagen

Om met die overheidslagen en met de politiek te beginnen, daarover is de frustratie bij sommigen groot. Zoals bij Ruud van Meijel (Toneelgroep Oostpool, Arnhem) en Eric Japenga (Het Zuidelijk Toneel, Tilburg).

Van Meijel: ‘De verschillende overheidslagen hebben er nauwelijks benul van dat ze samen een groot bestel vormen. Gemeenten als Apeldoorn of Nijmegen, die zelf geen BIS-gezelschap hebben en dus ook niet in contact staan met het Rijk daarover, zijn wel verantwoordelijk voor hun theaters. Zo speelt in Nijmegen de discussie of LUX wel theater moet blijven programmeren. Dat heeft consequenties voor het aanbod in zo’n gemeente, dat voor een deel wel door ons wordt gemaakt.’

Japenga hoorde in Brabant van de provincie: ‘Als jullie maar niet denken dat wij de gaten gaan vullen die het Rijk laat vallen.’ Jacques van Veen: ‘Dat zei de Rotterdamse wethouder ook.’

Het is in die houding jegens kunstinstellingen dat Japenga de imagoschade herkent die door het vorige kabinet-Rutte werd aangericht: ‘Er wordt bij de provincie altijd op ons gereageerd alsof we weer komen bedelen om geld. Het besef leeft daar niet dat de overheid ook verantwoordelijk is voor de Basisinfrastructuur, dat cultuur ook een beleidsdomein is van de overheid. Wij willen helemaal niet meer geld, we willen het over beleid hebben.’

Walter Ligthart (Nationale Toneel, Den Haag): ‘Ik heb soms het idee dat je makkelijker met ondernemers en rotary’s in gesprek raakt dan met de overheid. Die ondernemers vragen zich overigens ook af of dit nou allemaal de bedoeling was. Dat is de andere kant van wat het tumult heeft veroorzaakt.’

Melkkoe

In Leeuwarden heeft Siart Smit (Tryater, Leeuwarden) andere ervaringen: ‘Ik ben aangenaam getroffen door de manier waarop de gemeente bezig is te kijken wat ze kan doen. Zij ziet ook dat de huidige situatie te weinig oplevert om cultuur in stand te houden. Niet alleen is ze stevig met de sector in overleg, ze probeert ook aan de plaatselijke middenstanders te laten zien dat cultuur ook voor hen van belang is, in de hoop dat ze eraan gaan meebetalen.’

Zoals Ruud van Meijel al constateerde hebben niet alleen gezelschappen, maar ook theaters te maken met een veranderde relatie met de (gemeentelijke) overheid. Met alle gevolgen van dien voor de verhouding tussen gezelschappen en theaters.

Jacques van Veen: ‘Wij moeten met onze producties meer geld verdienen en dat kan maar op één plek: in het theater. Maar de theaters krijgen van hun wethouder de opdracht meer geld te verdienen met hun gebouw. Wij willen dus allebei meer verdienen aan diezelfde mensen in de zaal. Dat kan natuurlijk niet. Schouwburgen betalen daarom bijvoorbeeld geen garantiesommen meer en leggen zo het probleem bij de gezelschappen. Of ze zeggen: je mag best komen, maar niet twee avonden.’

Bovendien nemen de podia ook minder verschillende voorstellingen af. De drie grote voorstellingen die de grote gezelschappen per jaar moeten maken worden zelden alle drie door een theater afgenomen. Dat hangt weer samen met de teruglopende bezoekersaantallen bij de commerciële producties.

Eric Japenga: ‘Die voorstellingen waren de melkkoe waarvan risicovollere voorstellingen werden betaald. Op dat risico wordt nu bezuinigd.’

Flauwekul

Daar komt bij dat de theaters bezuinigen op hun marketingafdelingen, met gevolgen voor de publiciteit voor de voorstellingen. Marcel ’t Sas (Toneelgroep Maastricht, Maastricht), voorheen schouwburgdirecteur en festivalorganisator, vindt bovendien dat veel van die marketingafdelingen hopeloos achterlopen in hun marketingstrategieën. ‘Er wordt zowel bij de schouwburgen als bij de gezelschappen maar weinig met marketing geëxperimenteerd. Er is te weinig aandacht voor het creëren van een buzz, het lukt nog te weinig die aan te jagen. Dat toneel in Nederland niet meer geliefd zou zijn, zoals sommige programmeurs bij de theaters beweren, is aantoonbaar flauwekul.’

Ruud van Meijel: ‘Juist omdat je geen greep hebt op wat er in de theaters gebeurt, kun je niet alleen op partage spelen. Misschien is de koffie wel niet te drinken en blijven de bezoekers daarom massaal weg.’

Dat theaters minder voorstellingen en speelbeurten afnemen is voor de gezelschappen een probleem, omdat daarmee het verplicht te maken aantal voorstellingen, de eigen inkomsten en de bezoekersaantallen onder druk komen te staan. Reizen is, zeker vanuit Groningen en Maastricht, duur en de kosten wegen niet altijd op tegen de verwachte bezoekersaantallen. Daarom wordt in de verschillende steden naarstig naar andere soorten producties gezocht, bij voorkeur dichter bij huis. Zo maakt het NNT een voorstelling ter gelegenheid van het vierhonderdjarige jubileum van de Rijksuniversiteit.

Arie Wink: ‘De universiteit geeft mij de publieksinkomsten en ik krijg daar 350 duizend euro voor. Daarmee heb ik een stevige bodem van eigen inkomsten.’

Toch heeft Wink en gemengd gevoel over het project: ‘Ola Mafaalaani wil heel graag dingen met de regio doen. En een voorstelling over de relatie tussen de stad en de universiteit is heel erg leuk om te maken. Maar uiteindelijk is Ola daarvoor niet naar Groningen gekomen.’

Talentontwikkeling

Toch wordt aan tafel de mening gedeeld dat het maken van meer diverse en lokale producties en het zoeken van partners ook helpt om de band met de eigen stad de versterken. Siart Smit: ‘Het dwingt je als gezelschap meer maatschappelijk bezig te zijn. Door je functie te verbreden, ben je in wezen ook bezig nieuw publiek te creëren.’

Ook Walter Ligthart ziet positieve kanten aan diversificatie: ‘Het Nationale Toneel heeft nu met NTJong ook een jeugdgezelschap en gaat zwaarder inzetten op haar rol als stadsgezelschap en talentontwikkelaar. Het gevaar is echter wel dat je op een gegeven moment door de bomen het bos niet meer ziet als je links en rechts initiatieven neemt. Het is ook belangrijk om je voortdurend de vraag te stellen: waarom doen we dit eigenlijk? En waarom op deze manier? En waarom in deze wijk en niet in die andere?’

Dat brengt het gesprek op de vraag of de aanvullende taken van gezelschappen, zoals educatie en talentontwikkeling, niet haaks staan op de eis meer eigen inkomsten binnen te halen. Eric Japenga: ‘Dat zijn inderdaad twee zaken die het beeld van de eigen inkomsten er niet heel veel vrolijker op maken.’

Winfred Voordendag (Toneelgroep Amsterdam, Amsterdam): ‘Maar dat zijn ook juist projecten waarbij je partners kunt vinden. Zo’n universiteitsproject als dat van Arie kun je prima onder de noemer educatie laten vallen.’

Ruud van Meijel: ‘Bij ons is educatie een van de grootste bronnen van eigen inkomsten. Voor de jongerenvoorstellingen heb ik de afgelopen twee jaar geld gehad van het VSBfonds. In die projecten kun je bovendien je jonge talent weer kwijt, in het kader van de talentontwikkeling.’

Arie Wink: ‘Daarin moeten we overigens niet de illusie hebben dat we het wegvallen van de productiehuizen gaan opvangen.’ Walter Ligthart: ‘Als je als sector een kwart minder budget hebt, dan heeft dat ook gevolgen voor talentontwikkeling. Maar het is wel onze taak om die opdracht serieus op te pakken. Als het onze taak is om te zorgen dat er prachtig toneel wordt gemaakt en in de toekomst gemaakt blijft worden, dan hoort de ontwikkeling van talent daarbij.’

Portemonnee

Hoewel het gesprek langs vele hobbels en kuilen leidt die het zakelijk leiderschap in deze tijd met zich meebrengt, zijn de directeuren opvallend optimistisch gestemd. Zelfs over de mogelijkheden om midden in een crisis geld te verdienen en over de publieke belangstelling voor hun producten.

Winfred Voordendag: ‘Het zijn geen makkelijke tijden, maar feit blijft dat in de afgelopen vijf jaar onze eigen inkomsten en bezoekersaantallen alleen maar zijn toegenomen. Tussen 2007 en 2012 groeiden onze bezoekcijfers van 83 duizend naar 120 duizend en onze eigen inkomsten van 1,6 miljoen naar 2,5 miljoen euro.’

Jacques van Veen: ‘De echte crisis in de portemonnee van de toeschouwer begint nu pas. Nu hebben we daar nog niet echt last van. Niet zoals de vrije producenten.’

Walter Ligthart: ‘Maar liggen daar niet juist ook kansen voor de gesubsidieerde gezelschappen? Als zo’n grote commerciële productie van Kleine zielen moet werken zonder grote decors, hebben wij het geluk dat we dergelijke voorstellingen nog wel kunnen maken.’ Daarom vindt hij dat de gezelschappen vooral vooruit moeten kijken: ‘Noblesse oblige, ik wil niet blijven stilstaan bij  het zuchten en steunen van de afgelopen jaren. Enige zelfreflectie is dringend nodig, maar vooral leiderschap.’ Van Veen: ‘Misschien was dat wel het raarste van de bezuinigingen. Er werd gedaan alsof we het allemaal zo slecht deden. Maar het gaat vooralsnog helemaal niet slecht met het theater.’

 

Comments

  1. Boeiend gesprek,we gaan vooruit, we praten. Mogelijk kan er iets meer ook de vraag inkomen waar die theaters, het publiek, de steden het aanbod ( ook maatschappelijk, wetenschappelijk of cultureel)plaatsen en welk aanbod (of artistiek leider) daarbij past.
    daarbij zal de nodige (her) opvoeding mogelijk op zijn plaats zijn, want menig theaterdirecteur, programmeur, stad is nog gewend zich in die rol te plaatsen. Zo ook menig (artistiek) leider de rol van stadsschouwburg en haar context mee hoefde te wegen in haar keuzes. Bij mijn buren (aken)op 8 km gaat dat wezenlijk anders, daarmee zeg ik nog niet beter(!) Wel genereren ze meer debat en journalistieke aandacht. Dat helpt al, want ons toneel is inmiddels wel erg in de marge terecht gekomen t.o.v wat in Duitsland hier en daar te zien is.
    laten we dat debat weer aangaan, mogelijk een kleine zaal produktie per jaar minder tgv aandacht en geld voor dat debat, als het moet met gekochte zendtijd.
    Bas Schoonderwoerd

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.