Lessen uit Utrecht – Tussen maatschappelijke taken en ondernemerschap

Mogadishu - De Utrechtse Spelen. Foto: Sanne Peper
Mogadishu – De Utrechtse Spelen. Foto: Sanne Peper

De Utrechtse Spelen staat weer op de rails en dat is verrassend, aangezien het gezelschap aan het begin van dit seizoen nog aan de rand van een faillissement stond. De affaire roept de sector en de politiek op nog eens met een scherp oog te kijken naar de invulling van het ondernemerschap van gesubsidieerde instellingen en het toezicht dat daarop wordt uitgeoefend.

Eigenlijk zijn er alleen maar verliezers in de affaire rond De Utrechtse Spelen. Een tijd lang stond het gezelschap van artistiek leider Jos Thie en zakelijk leider Jelle Snijder te boek als excellent voorbeeld van cultureel ondernemerschap, maar die goede naam wankelde zodra deze zomer uitkwam dat door falend zakelijk leiderschap een tekort van maar liefst 2,1 miljoen euro was ontstaan. Niet alleen bleek gemeenschapsgeld verdampt (en kreeg opnieuw het imago van de sector een knauw), ook raakten relaties en carrières onherroepelijk beschadigd. Snijder kreeg een vertrekpremie van 35.000 euro om per 1 december te vertrekken, Thie legt per april dit jaar zijn functie neer, zonder premie. Ook de complete Raad van Toezicht trad af.
Dat het zo kon mislopen was volgens de reconstructies die NRC Handelsblad en ondergetekende van de affaire maakten vooral te wijten aan een gebrek aan zakelijke realiteitszin binnen de directie, te weinig kritisch geluid binnen hetzelfde managementteam en een veel te late reactie van de Raad van Toezicht.
Maar inmiddels is De Utrechtse Spelen op de weg terug. Er is een reorganisatie doorgevoerd waarbij vijftien fte’s werden teruggebracht tot tien. De financiën worden langzaam weer gezond dankzij een extra subsidie en een lening van de gemeente, een voorschot van OCW, de verkoop van De Paardenkathedraal en het drastisch terugschroeven van de ambities. Het gezelschap kan weer gaan denken aan zijn belangrijkste taak, het maken van voorstellingen. Onlangs ging de nieuwe voorstelling in première, Mogadishu.

Spanningsveld

Als er één ding is wat deze hele affaire duidelijk heeft blootgelegd, dan is het wel het spanningsveld tussen risicovol ondernemerschap en overheidsfinanciering. Zeker nu de kalender inmiddels 2013 aanwijst, doet de culturele sector er verstandig aan daar niet zomaar aan voorbij te walsen. 2013 is immers het jaar waarin de bezuinigingen van Rutte I hun beslag krijgen en de culturele sector nog meer op zijn financiële rendement zal worden afgerekend.
Natuurlijk is met het binnenhalen van meer eigen inkomsten en publiek niets mis – de meeste instellingen halen de vereiste 23,5 procent al lang. Maar het wordt een probleem als instellingen met het omarmen van de doelstelling om meer eigen inkomsten en publiek binnen te halen hun hoofdprioriteit uit het oog verliezen.
Het lijkt sinds Zijlstra zelfs bij de politiek een gangbare gedachte geworden dat culturele instellingen subsidiegeld nodig zouden hebben omdat ze iets fout doen. Goed ondernemerschap wordt dan geïnterpreteerd als ‘het vergaren van veel eigen inkomsten en het trekken van veel publiek’. Daarin schuilt het gevaar dat instellingen onverantwoorde risico’s nemen, zoals De Utrechtse Spelen in feite deed, om aan dat beeld tegemoet te komen. Het heeft er zelfs alle schijn van dat de financiële puinhoop bij De Utrechtse Spelen grotendeels werd veroorzaakt door de angst het imago van sterk cultureel ondernemer te verliezen: ‘Als we het tekort met een nieuwe productie oplossen, dan merkt niemand dat we ooit een tekort hebben gehad en houden we ons imago intact.’ In elk geval gaf de Raad voor Cultuur bij het laatste advies zelf aan dat De Utrechtse Spelen, net als overigens veel andere instellingen, veel te rooskleurig dacht over zijn ondernemerschap.

Verliesgevend

Wat bij het denken over meer cultureel ondernemerschap nogal eens over het hoofd wordt gezien, is dat gesubsidieerde podiumkunstinstellingen op het vlak van ondernemerschap niet zonder meer kunnen worden vergeleken met commerciële instellingen, die er beter in lijken te slagen geld uit de markt te halen.
Ten eerste verwacht de overheid van instellingen in de Basisinfrastructuur dat ze in ruil voor subsidie een aantal maatschappelijke taken op zich nemen, om educatieve activiteiten te ontplooien en om een bijdrage te leveren aan talentontwikkeling binnen de sector. Dit zijn taken die contrasteren met de taak om meer eigen inkomsten te verwerven, omdat het veelal juist gaat om activiteiten die weinig geld opleveren. Hetzelfde kan worden gezegd van de taak om een kwalitatief hoogstaand theateraanbod te genereren dat (dankzij subsidie) toegankelijk is voor iedereen. Die maatschappelijke taken zijn per definitie verliesgevend. Hoe meer de nadruk op eigen inkomsten wordt gelegd, hoe groter daarom de kans dat een instelling die verliesposten laat vallen om zijn beperkte fte’s in te zetten voor winstgevender taken.
Ook bij De Utrechtse Spelen kwam talentontwikkeling niet bepaald op de eerste plaats. Juist de plannen van de jonge makers werden door gebrek aan financiën telkens vooruitgeschoven. En het kleine beetje dat het gezelschap in twee jonge makers had geïnvesteerd, werd teniet gedaan toen ze via het herstructureringsplan en de daaropvolgende reorganisatie de deur werd gewezen in ruil voor een maker die al in 2004 afstudeerde.

Kansspelletjes

Een tweede reden waarom het ondernemerschap van gesubsidieerde instellingen niet zonder meer kan worden vergeleken met dat van commerciële organisaties is dat er een wezenlijk verschil is tussen ‘ondernemen met eigen geld’ of ‘ondernemen met het geld van een ander’. Vrijwel alle betrokkenen die ik de afgelopen maanden sprak over De Utrechtse Spelen beaamden dat ondernemen onder andere het nemen van risico’s behelst. Voor bedrijven die op de vrije markt opereren is risico’s nemen geen keuze, al was het maar omdat ze de concurrentie moeten zien voor te blijven. Dat daaruit soms een zwaar verlies of een faillissement volgt is inherent aan het ondernemerschap, hetzelfde kan de ondernemer overkomen die op safe speelt en links en rechts wordt ingehaald door concurrenten. Maar het gaat daarbij altijd om het eigen geld van de ondernemer die constant moet afwegen of het risico het waard is om zijn eigen geld – en daarmee misschien zelfs wel zijn bedrijf – op het spel te zetten. Bij podiumkunsteninstellingen worden die risico’s genomen met gemeenschapsgeld. Geld dat is bedoeld om kwalitatief hoogwaardige kunst te maken, het liefst voor een zo groot mogelijk publiek. De vraag is of je met dat geld grote financiële risico’s wilt of kunt lopen. De gemeenschap ziet niet graag dat publiek gefinancierde instellingen kansspelletjes gaan spelen met belastinggeld, of dat nou woningcorporaties, pensioenfondsen of kunstinstellingen zijn.
Extra funest voor het draagvlak is dat falende publieke instellingen vrijwel altijd worden gered, juist omdat het publieke instellingen met maatschappelijk taken zijn. In het geval van De Utrechtse Spelen: het gezelschap speelde een belangrijke rol in de kandidatuur voor ‘Utrecht, Culturele Hoofdstad van Europa 2018’ en maakte ook op andere vlakken deel uit van een hecht vlechtwerk aan instellingen en initiatieven die zich in Utrecht met kunst en samenleving bezighouden. Juist die cultureel-maatschappelijke verwevenheid was voor de gemeente een extra stimulans om het gezelschap te redden en, cynisch gezegd, te belonen voor slecht ondernemerschap. De parallel met falende en daarna geredde systeembanken dringt zich al snel op.

Kritisch tegenwicht

De recente gang van zaken rond De Utrechtse Spelen legt een paar problemen bloot waarvoor overheid en sector op korte termijn een oplossing zullen moeten vinden. Allereerst blijkt het een groot zakelijk inzicht te vergen om een BIS-instelling tussen de Scylla van het risicovolle ondernemerschap en de Charybdis van de maatschappelijke verantwoordelijkheid door te manoeuvreren. Dat inzicht is schaars en De Utrechtse Spelen ontbeerde het in elk geval. Het vraagt om een zakelijk leider die constant zakelijke en artistiek-maatschappelijke belangen tegen elkaar kan afwegen, in een ingewikkelde financiële omgeving risico’s kan inschatten en die sterk genoeg in zijn schoenen staat om ‘nee’ te kunnen verkopen aan de subsidiegever en zeker ook aan de artistiek leider. Dat kritisch tegenwicht is noodzakelijk, maar bij De Utrechtse Spelen wist zakelijk leider Jelle Snijder het artistiek leider Jos Thie niet te bieden; niemand trok aldus aan de noodrem.

Hoewel in de podiumkunsten de afgelopen tijd genoeg om aandacht is gevraagd voor artistieke talentontwikkeling, bleef het op het gebied van de zakelijke talentontwikkeling stil. Wie zijn de zakelijke talenten die zich in het nieuwe speelveld van de culturele sector weten staande te houden, waar komen ze vandaan en hoe leiden we ze op? De sector zal zich urgent over deze vragen moeten buigen.
Een tweede probleem dat zal moeten worden aangepakt, is het gebrekkige toezicht op de sector. De directie van De Utrechtse Spelen liet na de subsidiegevers in te lichten over het groeiende tekort en toen ze uiteindelijk in het jaarverslag van 2011 een tekort van zes ton bekendmaakte, greep niemand in: de Raad van Toezicht niet, de Raad voor Cultuur niet, OCW niet en – in eerste instantie – de gemeente Utrecht niet. De Raad van Toezicht was voor zijn informatie te afhankelijk van de directie en de andere instanties wezen vooral naar elkaar of weer terug naar De Utrechtse Spelen. Terwijl iedereen naar elkaar zat te kijken, kon zo het tekort van het gezelschap oplopen van zes ton naar 2,1 miljoen.
Als de overheid van culturele instellingen verwacht dat ze zakelijke risico’s nemen met belastinggeld, dan is het wellicht geen slecht idee manieren te bedenken om het toezicht te verscherpen en voor alle partijen inzichtelijk te maken bij wie de eindverantwoordelijkheid ligt om instellingen ter verantwoording te roepen.

Er liggen Jet Bussemaker, de nieuwe minister voor Cultuur, dus nog wat schone taken te wachten. Hoewel zij een beduidend fatsoenlijker toon aanslaat jegens de culturele sector dan haar voorganger Zijlstra blijft diens nieuwe, marktgerichte cultuurbeleid recht overeind. Toch lijkt Bussemaker de aangewezen persoon om weer meer aandacht te schenken aan hoe de cultuursector niet alleen de publieksinkomsten kan vergroten, maar vooral hoe zij die inkomsteneisen beter in balans kan brengen met de maatschappelijke taken die de sector ook heeft, maar waarover we Zijlstra nooit hebben gehoord. Dat betekent: meer aandacht voor de verschillen in speelveld tussen gesubsidieerde en ongesubsidieerde instellingen en voor het toezicht op het risico’s nemen met subsidiegeld. Voor de sector geldt een andere urgente vraag: wie zijn de zakelijk leiders voor de toekomst?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.